“Laat niemand U op enigerlei wijze misleiden, want die dag komt niet tenzij eerst de afval komt en de mens der wetteloosheid wordt geopenbaard, de zoon der vernietiging.”

– De apostel Paulus –

 

Hooghartige Mens der Wetteloosheid die onder Satans invloed opereertGetrouwe christenen in het apostolische tijdperk waren in een hoge staat van verwachting met betrekking tot de wederkomst van hun Heer. Immers, Jezus en de apostelen spoorden gelovigen herhaaldelijk aan om waakzaam te blijven en voorbereid te zijn voor de komst van de Meester. Dat maakte hen bijzonder kwetsbaar voor de listen van afvalligen die ten onrechte beweerden dat de opstanding al was begonnen en dat de dag van Jehovah ophanden was.

In die tijd was het blijkbaar de bedoeling van bedriegers om de broeders te misleiden en te laten geloven dat de parousia van Christus al was begonnen, wat duidelijk de reden was waarom Paulus de volgende vermaning schreef aan de Thessalonicenzen: ‘Broeders, met betrekking tot de tegenwoordigheid van onze Heer Jezus Christus en ons vergaderd worden tot hem, verzoeken wij U echter UW denken niet vlug in de war te laten brengen, noch opgewonden te raken, hetzij door middel van een geïnspireerde uiting of door middel van een mondelinge boodschap of door middel van een brief die van ons afkomstig zou zijn, hierop neerkomend, dat de dag van Jehovah reeds is aangebroken. Laat niemand U op enigerlei wijze misleiden, want [die dag] komt niet tenzij eerst de afval komt en de mens der wetteloosheid wordt geopenbaard, de zoon der vernietiging’ (2 Thessalonicenzen 2:1-3).

Net als in de oorspronkelijke christelijke gemeenten zijn gedurende vele decennia Jehovah’s Getuigen ook in een verhoogde staat van verwachting met betrekking tot de dag van Jehovah. Maar nogmaals: dat is niet per se een slechte zaak, omdat de Bijbel christenen aanspoort om de tegenwoordigheid van de dag van Jehovah goed in gedachten te houden. Maar het gevaar is, zoals Paulus in verband met de Thessalonicenzen benadrukte, dat christenen die overijverig zijn in het uitkijken naar de dag van Jehovah mogelijk het risico lopen om in de war te worden gebracht en te worden misleid.

Het feit dat de context van de waarschuwing van Paulus sterk doet vermoeden dat de mens der wetteloosheid de bron is van de ogenschijnlijk geïnspireerde boodschappen die aankondigen dat ‘de dag van Jehovah reeds is aangebroken’ zou voor Jehovah’s Getuigen een reden moeten zijn om hier behoedzaam bij stil te staan.

Hoewel Jehovah’s Getuigen opereren onder de indruk dat de collectieve geestelijkheid van de christenheid de mens der wetteloosheid vormt, is het ontegenzeggelijk zo dat van alle zogenaamde christelijke groeperingen die vandaag de dag bestaan, er slechts één organisatie gezien kan worden als de bron van de vermoedelijke op de Bijbel gebaseerde ‘geïnspireerde uitingen’ die de tegenwoordigheid aankondigen van Christus. Deze organisatie is natuurlijk de Watchtower Bible and Tract Society, nu ook bekend als de Christelijke Gemeente van Jehovah’s Getuigen!

Precies zoals Paulus had voorzegd, door middel van een verscheidenheid aan gesproken boodschappen die zijn overgebracht tijdens openbare lezingen in de koninkrijkszalen, tijdens kringvergaderingen en tijdens congressen en door middel van gezaghebbende, apostolisch-achtige brieven en publicaties, heeft het Wachttorengenootschap zichzelf herkenbaar gemaakt als de onbetwiste bron van een gestage stroom aan berichten die in 1914 begonnen de tegenwoordigheid van Christus aan te kondigen, en ‘dat de dag van Jehovah reeds is aangebroken’.

‘TENZIJ EERST DE AFVAL KOMT’

De apostel gaat hier dieper op in door te zeggen dat de mens der wetteloosheid ‘in de tempel van De God gaat zitten en zich in het openbaar vertoont als een god’. Zoals in hoofdstuk 4 besproken, blijkt uit de Schrift dat is onthuld dat Gods tempel het gehele lichaam van gezalfde gelovigen is binnen elke tijdsperiode. Jehovah’s Getuigen snappen dit. De apostel Paulus schreef bijvoorbeeld in 1 Korintiërs 3:16: ‘Weet GIJ niet dat gijlieden Gods tempel zijt en dat de geest van God in U woont?’ Ook 2 Korintiërs 6:16 zegt: ‘Want wij zijn een tempel van een levende God.’

In het licht van dat feit is het evident is dat de mens der wetteloosheid niet slechts in de tempel van God claimt te zitten, noch dat hij zich bevindt te midden van hen die slechts beweren louter de tempel van God te zijn, die het Wachttorengenootschap beweert te zijn. Nee, hij zit in werkelijkheid midden in de geestelijke tempel van God; dat wil zeggen, binnen de intieme groep van de gezalfde zonen Gods. Uiteindelijk zal de mens der wetteloosheid zich moedwillig verheffen boven iedereen, met inbegrip van het hoofd van de gemeente – Christus zelf.

Het belangrijke feit dat de geïnspireerde waarschuwing van de apostel specifiek wordt gericht aan de broeders binnen het geloof die vatbaar zijn om te worden verleid door de listen van de mens der wetteloosheid, bewijst dat de mens der wetteloosheid existeert binnen de gemeente van Christus. En aangezien afvalligheid wetteloosheid is, moet de mens der wetteloosheid de bron ervan zijn. En omdat de mens der wetteloosheid in de tempel van God zit gedurende de tijd dat Christus hem tijdens zijn parousia zal blootleggen, kan de christelijke geestelijkheid onmogelijk een samenraapsel vormen van een mens der wetteloosheid die te midden van de broeders van Christus gaat zitten. Het is op dat moment onmogelijk voor de geestelijkheid om op wat voor manier dan ook enige geestelijke autoriteit te hebben over de ware zonen van het Koninkrijk.

Maar toch heeft de mens der wetteloosheid volgens Paulus wel zo’n soort autoriteit over de broeders. Zijn boodschappen worden gezien als ‘geïnspireerde uitingen’ en zijn geschreven boodschappen worden gezien als van gelijke autoriteit als de brieven die door de apostelen zelf zijn geschreven, wat ook de reden is waarom Paulus de broeders waarschuwde om geen gehoor te geven aan dergelijke mondelinge of geschreven boodschappen, zelfs als het lijkt alsof deze ‘van ons afkomstig zou zijn’. Omdat, zoals Paulus reeds aangaf, de mens der wetteloosheid overtuigend spreekt en schrijft met het gezag zoals dat van de apostelen, en hij opereert van binnenuit de gemeente, moet hij komen vanuit de hoogste niveaus van de organisatie.

De afval waarover Paulus zei welke éérst moet komen is niet de afvalligheid die eeuwen geleden begon en uiteindelijk de vorm aannam van het christendom. De afvalligheid die onmiddellijk voorafgaat aan de parousia vindt plaats onder de gezalfde volgelingen van Christus en wordt geleid door de mens der wetteloosheid.

In het licht van alles wat er tot nu toe is besproken met betrekking tot de onjuistheden ten aanzien van de 1914-doctrine van het Wachttorengenootschap, lijkt het erop dat de geïnspireerde waarschuwing van Paulus aan de Thessalonicenzen specifiek werd geschreven voor de Jehovah’s Getuigen tijdens dat kritieke moment. Maar als dat het geval is, hoe zit het dan met de voorzegde afval die eerst moet plaatsvinden, en hoe zit het dan met de openbaring van de aanwezige mens der wetteloosheid? Volgens de openbaring van de apostel zal de aanwezigheid van Christus en zijn ultieme openbaarmaking aan de wereld worden voorafgegaan door een afvalligheid onder ware christenen. De afvalligheid zal dienen als een indicator voor de nabijheid van de dag van Jehovah, of zoals Paulus het formuleerde”: ‘want [die dag] komt niet tenzij eerst de afval komt.

Echter blijkt dat volgens de verklaring van het Wachttorengenootschap de afval die Paulus voorspelde plaatsvond kort nadat het christendom werd opgericht. En hoewel er geen twijfel over bestaat dat het conglomeraat aan religies welke vandaag de dag deel uitmaken van het christendom is ontstaan gedurende die grote afval, al die eeuwen geleden, geeft de waarschuwing van Paulus nog steeds te kennen  dat er een andere afvalligheid zal plaatsvinden: een afval die onmiddellijk zal plaatsvinden net vóór de tegenwoordigheid van Christus en de grote dag van Jehovah, een afval afkomstig vanuit het binnenste van de herstelde christelijke tempel zelf.

De Hebreeuwse profetieën bevestigen in dit verband de openbaring van Paulus. Het 32ste en 33ste hoofdstuk van Jesaja doen dit in het bijzonder. Hoewel deze werden geschreven lang voordat Jezus zelfs maar op aarde was verschenen, hebben deze betrekking op het oordeel van Jezus over de gemeente tijdens het besluit. In Jesaja 32:1 werd bijvoorbeeldde heerschappij van de rechtvaardige koning voorzegd: ‘De onzinnige zal niet langer edelmoedig worden genoemd; en wat de beginselloze man betreft, van hem zal niet worden gezegd dat hij edel is; want de onzinnige zal van zijn kant louter onzinnigheid spreken, en zijn hart zelf zal werken aan wat schadelijk is, om te werken aan afval en tegen Jehovah te spreken wat eigenzinnig is, om de ziel van de hongerige ledig te doen gaan, en hij doet zelfs de dorstige zonder drinken gaan. Wat de beginselloze man betreft, zijn werktuigen zijn slecht; hijzelf heeft raad gegeven met betrekking tot losbandige gedragingen, om de ellendigen met leugenwoorden te gronde te richten, zelfs wanneer een arme spreekt wat recht is.

Het is significant om op te merken dat de profetie van Jesaja aangeeft dat voorafgaand aan de komst van de koning die ‘zal regeren voor louter rechtvaardigheid’, de onzinnige wordt gezien als edelmoedig en de ‘beginselloze man’ wordt gezien als edel. Toch wordt er over hem gezegd dat hij ‘werkt aan wat schadelijk is, en werkt aan afvalligheid en tegen Jehovah spreekt wat eigenzinnig is’ met als doel dat hij ‘de dorstige zonder drinken doet gaan’. Jesaja’s profetie heeft betrekking op de blootstelling van de afvallige mens der wetteloosheid tijdens de openbaring van Christus. In dat kader geeft Jesaja ook aan dat diegenen die in hoog aanzien staan bij Gods volk uiteindelijk aan de kaak zullen worden gesteld door de koning die ‘zal regeren uit louter rechtvaardigheid’.

Wat ook opmerkelijk is, is dat de ‘beginselloze man’ een positie bekleedt van autoriteit, want de Schrift zegt dat hij ‘heeft raad gegeven met betrekking tot losbandige gedragingen’. Ook wordt gezegd dat hij in een positie verkeert om de ‘dorstige’ zijn drinken te onthouden, wat weergeeft dat hij wordt gezien als iemand die in de positie verkeert om in geestelijk drinken te voorzien. Het feit dat de ‘beginselloze man’ wordt beschouwd als gul en edel, maar aan de andere kant toch tegen Jehovah spreekt wat eigenzinnig is, bekrachtigt hier absoluut wat de apostel had geopenbaard met betrekking tot de verraderlijke invloed die de mens der wetteloosheid over de broeders heeft.

In het licht van het feit dat de leiding van het Wachttorengenootschap onbetwist onjuiste leerstellingen propageert ten aanzien van de tegenwoordigheid van Christus welke volgens haar in 1914 is begonnen, terwijl deze mannen tegelijkertijd door Jehovah’s Getuigen over het algemeen worden beschouwd als gulle en edelmoedige mannen waarop een beroep gedaan wordt voor raad en advies en ook voor geestelijk voedsel en drinken, kan het niet anders dan dat hier het Genootschap zelf wordt bedoeld, als zij die voorbestemd zijn ‘om de ellendigen met leugenwoorden te gronde te richten’. Inderdaad, het Genootschap verheerlijkt zichzelf voortdurend voor het aangezicht van Jehovah’s Getuigen als het aardse instrument van God en als de gulle verstrekker van al het geestelijk voedsel, en heeft zichzelf een eerbetoon gegeven door zichzelf te benoemen tot de getrouwe slaaf die is aangesteld over alle bezittingen van de Meester.

Maar op wat voor manier zou het Wachttorengenootschap ‘tegen Jehovah kunnen spreken wat eigenzinnig is’?

Neem, zoals in het vorige hoofdstuk werd besproken, eens het volgende voorbeeld in beschouwing over de onzinnige leerstelling welke door het Wachttorengenootschap wordt gepropageerd dat Jehovah’s Getuigen op dit moment al in het geestelijk paradijs leven, ondanks het vele kwaad dat de organisatie teistert. Door te claimen dat Jehovah zelf het geestelijk paradijs al tot stand heeft gebracht binnen een organisatie waarbinnen wijdverbreid sprake is van kindermisbruik en vele andere vormen van zondig gedrag en immoraliteit, rekenen deze mensen indirect de misstanden binnen de organisatie toe aan God, omdat God het schijnbaar niet kan voorkomen, of omdat Hij ervoor kiest om toe te laten dat slechte goddeloze mannen azen op zijn volk, zelfs in het paradijs dat Hij vermoedelijk aan zijn volk zou hebben verschaft.

Waarlijk, degenen die beweren dat het geestelijk paradijs reeds bestaat binnen de organisatie van Jehovah’s Getuigen, spreken pure onzinnigheid! ‘Zijn werktuigen zijn slecht’ in die zin dat hij gebruikmaakt van een menselijke redenering en louter organisatorische besluiten neemt om zelf het Koninkrijk der hemelen op te richten over hen die onder zijn invloed staan.

Dat afvalligen resideren op het hoogste niveau binnen de gemeente totdat zij tijdens de oogst zullen ontbranden door middel van een vuurzee en hen zal consumeren, wat ook blijkt uit het 32ste hoofdstuk van Jesaja, waarin het oordeel van God hen zal betrekken die ‘ver weg zijt’ – aan de rand van de organisatie –, en zij ‘die dichtbij zijt’ in Sion – in het hart van de organisatie. Dit heeft Jehovah tot hen gezegd: ‘Gijlieden gaat zwanger van gedroogd gras, GIJ zult stoppels baren. UW eigen geest, als een vuur, zal U verteren. En volken moeten worden als het branden van kalk. Als afgehouwen doorns zullen ze zelfs met vuur in vlam worden gezet. Hoort, GIJ die ver weg zijt, wat ik moet doen! En kent, GIJ die dichtbij zijt, mijn macht. In Si̱on zijn de zondaars in angst komen te verkeren, huivering heeft de afvalligen aangegrepen: “Wie van ons kan voor enige tijd bij een verslindend vuur vertoeven? Wie van ons kan voor enige tijd bij langdurige branden vertoeven?”’(Jesaja 33:11-14).

Gedroogd gras en veldstoppels zijn geen eerlijke partij voor de brandweer. Evenmin zijn slinkse mannen in staat om God te misleiden. Alhoewel Jehovah’s Getuigen blind zijn voor de afvalligheid van degenen die zij op dit moment beschouwen als gulle en edelmoedige mannen, is Jehovah hier niet blind voor. Hij zal zijn macht tonen door het ‘gedroogde gras’ en de ‘stoppels’ – de opgehoopte brandbare leerstellingen van hen die hard hebben gewerkt aan afvalligheid – te laten ontbranden. De ‘langdurige branden’ zullen eens en voor altijd Sion – de gemeente van Christus – zuiveren van de wetteloze mannen en hun waardeloze leerstellingen.

‘DE ZOON DER VERNIETIGING’

Paulus refereerde in de Schrift ook aan de mens der wetteloosheid als zijnde ‘de zoon der vernietiging’, waarbij het veelzeggend is dat de enige andere Schriftplaats waar die uitdrukking wordt gebruikt in verband staat met Judas Iskariot. In Johannes 17:12 zei Jezus tijdens zijn gebed: ‘Toen ik bij hen was, waakte ik steeds over hen ter wille van uw naam, die gij mij hebt gegeven; en ik heb hen bewaard, en niet één van hen is vernietigd, behalve de zoon der vernietiging, opdat de schriftplaats vervuld zou worden.’

Een Bijbeltekst die werd vervuld in Judas was Psalm 41:9, dat luidt: ‘Ook de man die in vrede met mij leefde, op wie ik vertrouwde, Die mijn brood at, heeft [zijn] hiel grootgemaakt tegen mij.’ Ook hoofdstuk 109 van Psalmen blijkt profetisch ten aanzien van de zoon der vernietiging. Er staat: ‘Laten zijn dagen weinige blijken te zijn; Iemand anders neme zijn ambt van opzicht.

Het is duidelijk dat om het vertrouwen van een ander te schaden het eerst nodig is om diens vertrouwen te winnen. Dus net zoals dat de oorspronkelijke zoon der vernietiging een vertrouwde en vertrouwelijke metgezel van Christus was, en een opziener tezamen met de elf andere apostelen, zo moet ook, volgens het patroon van de oorspronkelijke zoon der de vernietiging, de mens der wetteloosheid een man of een groep mannen zijn die een vertrouwde positie van toezicht bekleedt of bekleden, tussen de ware volgelingen van Christus.

Net zoals dat Judas aan dezelfde tafel zat, terwijl hij hetzelfde brood met Jezus en de apostelen deelde tijdens de laatste Paschamaaltijd, moet de mens der wetteloosheid eveneens deelnemen aan het brood en de wijn, samen met de gezalfde broeders tijdens de jaarlijkse gedachtenisviering van het offer van Christus. Terwijl hij in een vertrouwde positie verkeert zal de moderne zoon der vernietiging klaarstaan om verraderlijk te handelen, waarna hij uiteindelijk zal uitgroeien tot een regelrechte verrader van de gehele gemeente van Christus gedurende het uur van de autoriteit der duisternis.

Het is interessant dat sommige aspecten van de 109de Psalm niet passen bij de man Judas; zoals het 16de vers, dat zegt: ‘Maar de ellendige en arme bleef vervolgen, En de moedeloze van hart, om [hem] ter dood te brengen.’ De Psalmen zouden hier net zo goed het eindresultaat kunnen beschrijven van de destructieve aanwezigheid van de mens der wetteloosheid. Tijdens het uitbreken van de probleemvolle eindtijd die voor ons ligt, zullen verwarring en ontmoediging ongetwijfeld wijdverspreid zijn. Psalmen 10:9-10 spreekt over de verdrukte en ellendige die ten prooi valt aan diegene die zit in een hinderlaag. De Psalm zegt: ‘Hij zit in een hinderlaag van nederzettingen; Uit verborgen plaatsen zal hij een onschuldige doden. Zijn ogen zien uit naar een ongelukkige. Hij blijft op de loer liggen in de verborgen plaats als een leeuw in zijn schuilhoek van kreupelhout. Hij blijft op de loer liggen om de een of andere ellendige met geweld weg te voeren. Hij voert de ellendige met geweld weg wanneer hij zijn net dichttrekt. Hij wordt verbrijzeld, hij buigt zich, En het leger van neerslachtigen moet in zijn sterke [klauwen] vallen.

De christelijke schrijvers voorspelden dat beestachtige mannen de kudde van Christus zouden infiltreren gedurende de laatste dagen. Judas vergeleek hen met rotsen die onder het water liggen, die als potentiële struikelblokken konden worden gezien voor onoplettende christenen. Net zoals dat de apostelen zich niet bewust waren van het verraad door Judas, zelfs niet nadat Christus hem het identificerende stuk brood aanreikte tijdens de Paschamaaltijd, zo zou de beschrijving van de leeuw die in zijn schuilhoek van kreupelhout op de loer ligt heel goed van toepassing kunnen zijn op de mens der wetteloosheid, die tot op dit punt als een nachtelijk roofdier verborgen gebleven is binnen de organisatie, wachtend om toe te slaan op de ongelukkige.

Het punt waarop zijn net zich zal sluiten om Jehovah’s nietsvermoedende volk, zal zijn tijdens de parousia, wanneer de voorzegde toenemende afvalligheid en wetteloosheid binnen de organisatie ervoor zullen zorgen dat de liefde van velen zal verkoelen. Het zal ongetwijfeld zo zijn dat, zodra de dingen niet zo zullen blijken te gaan als Jehovah’s Getuigen zullen verwachten, velen van hen moedeloos zullen worden, waarna zij hun geloof zullen verliezen.

‘DE WERKTUIGEN VAN EEN WAARDELOZE HERDER’

Een andere profetie die door Judas werd vervuld was Zacharia 11:12-13. Dit is waar er werd voorzegd dat het loon van de waardeloze herder van Jehovah 30 zilverstukken zou bedragen, welke in de tempelschatkist zouden worden geworpen. In Mattheüs 27:3-5 staat de daadwerkelijke vervulling van die profetie geregistreerd. Er staat: ‘Toen nu Ju̱das, die hem had verraden, zag dat hij veroordeeld was, kreeg hij wroeging en bracht de dertig zilverstukken bij de overpriesters en oudere mannen terug en zei: “Ik heb gezondigd toen ik rechtvaardig bloed verried.” Zij zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Dat is uw zaak!” Toen gooide hij de zilverstukken in de tempel en trok zich terug, en hij ging heen en hing zich op.

God heeft ervoor gezorgd dat de profetieën op een dusdanige wijze werden opgetekend dat enkele kleine aspecten ervan zouden plaatsvinden ver voordat de hoofdlijnen worden vervuld. Dus de aspecten uit het verleden dienen louter als een extra patroon voor datgene wat daarna zal komen. Dus net zoals Jezus werd verraden aan het einde van zijn drieënhalfjarige bediening, zo zal ook de aardse bediening van het lichaam van Christus worden afgesloten met het verraad door de verraders.

Net zoals Zacharia voorzei dat de herder zal worden geslagen, waarna de schapen verstrooid zouden worden, is het ook zo dat het 11de hoofdstuk van Zacharia hier veel gedetailleerder op ingaat dan dat het simpelweg van toepassing geweest had kunnen zijn op de kudde uit de eerste eeuw. Zacharia 11:4 luidt bijvoorbeeld: ‘Dit heeft Jehovah, mijn God, gezegd: “Weid de kudde [bestemd] ter doding, want de kopers van [de schapen] gaan ertoe over [ze] te doden, ofschoon zij niet schuldig worden gehouden. En zij die ze verkopen, zeggen: ‘Jehovah zij gezegend, terwijl ik rijkdom zal verwerven.’ En hun eigen herders tonen in het geheel geen mededogen met hen.”’

Net zoals Judas de Zoon des mensen had verraden met een kus voor 30 zilverstukken, zo zullen ook de goddeloze herders die de schapen zullen verraden voor hun eigen verrijking op huichelachtige wijze Jehovah loven. Dit toont aan dat zij zich zullen voordoen als christelijke ouderlingen, om zo het gezag te krijgen over de vertrouwende schapen. Blijkbaar vormen de kwaadaardige herders, die de schapen zullen verkopen om te worden geslacht, een samengestelde mens der wetteloosheid. Om het voor de mens der wetteloosheid mogelijk te maken om ‘te zitten in de tempel van de God’, is het noodzakelijk dat Jehovah hem in staat stelt om gedurende een korte periode volledige controle te hebben over Zijn organisatie. Het lijkt erop dat dit is wat er in Zacharia 11:15-16 wordt voorspeld. Er staat daar: ‘En Jehovah zei voorts tot mij: “Neem u nog het gerei van een onnutte herder. Want zie, ik laat een herder opstaan in het land. Aan de [schapen] die verdelgd worden, zal hij geen aandacht schenken. Het jonge zal hij niet zoeken, en het gebroken [schaap] zal hij niet helen. Het [nog] overeind staande zal hij niet [van voedsel] voorzien, en het vlees van het vette zal hij eten, en de hoeven van de [schapen] zal hij afrukken.”’

Wie zouden de ‘kopers’ blijken te zijn aan wie de waardeloze herder de schapen van Jehovah zal verkopen? Zacharia 11:6 antwoordt hierop het volgende: ‘“Want ik zal geen mededogen meer tonen met de bewoners van het land”, is de uitspraak van Jehovah. “Daarom, zie, ik laat de mensen een ieder in de hand van zijn metgezel en in de hand van zijn koning geraken; en zij zullen stellig het land verbrijzelen, en ik zal geen bevrijding uit hun hand bewerkstelligen.”’

Dit vers geeft aan dat het oordeel over Gods gemeente zal plaatsvinden in de context van een tijd van verdrukking over de gehele mensheid. Zacharia 11:6 ligt in harmonie met de vele andere profetieën die niets minder openbaren dan een wereldwijde broedermoordende holocaust als zijnde het laatste oordeel over deze wereld.

‘OVEREENKOMSTIG DE WERKING VAN SATAN’

Terugkomend op de profetie van Paulus in 2 Tessalonicenzen 2:9-12, waar hij voorzegt tot in welke mate God aan Satan zal toestaan om een ‘werking van dwaling’ voort te brengen. De apostel schreef: ‘Maar de tegenwoordigheid van de wetteloze is overeenkomstig de werking van Sa̱tan met elk krachtig werk en leugenachtige tekenen en wonderen en met elk onrechtvaardig bedrog voor degenen die vergaan, als een vergelding omdat zij de liefde voor de waarheid niet hebben aanvaard, opdat zij gered zouden worden. Daarom laat God dus een werking van dwaling tot hen gaan, zodat zij geloof gaan hechten aan de leugen, opdat zij allen geoordeeld worden omdat zij de waarheid niet hebben geloofd maar behagen hebben geschept in onrechtvaardigheid.’

De Schrift geeft aan dat als een persoon behoed wil worden van een negatief oordeel, hij of zij in de waarheid dient te geloven. Jehovah’s Getuigen spreken over dat zij in de waarheid zijn, maar de waarheid kan van alles zijn waarvan het Wachttorengenootschap zegt dat het de waarheid is. In werkelijkheid bestaat er in het Engels zelfs een gezegde dat hiernaar verwijst dat luidt: keeping up with present truth, wat zoiets betekent als ‘het bijhouden van de huidige waarheid’. Een dubbelzinnige erkenning dat wat vandaag de dag waarheid is misschien niet meer de waarheid zou kunnen zijn van morgen! Om hier echter zeker van te zijn, kleeft er meer aan de waarheid dan simpelweg de toestand van de doden te kennen.

De ‘werking van dwaling’ die God tot hen zal laten gaan om ‘hen te misleiden’ moet uitgaan te midden van hen die worden geassocieerd met de geestelijke tempel van God. En aangezien het vers zegt ‘opdat zij allen geoordeeld worden’, is het dus evident dat hier het verband wordt gelegd met het toekomstige oordeel over het huis van God.

In diezelfde context zijn degenen die ‘geloof gaan hechten aan de leugen’ zij die onder de invloed zijn van de leerstellingen die afkomstig zijn van de mens der wetteloosheid met betrekking tot de valse parousia. Zoals de apostel waarschuwde, zou de Duivel ‘leugenachtige tekenen en wonderen’ voortbrengen. En met welk doel? Nogmaals: met het oog op de volgelingen van Christus om hen te doen geloven dat de parousia al is begonnen en om geloof te hechten aan de mens der wetteloosheid als de verheven bron van esoterische kennis.

Zoals eerder vermeld, is het feit dat Paulus ware christenen vermaande ‘hun denken niet vlug in de war te laten brengen, noch opgewonden te raken’ het bewijs dat de krachtige werken en leugenachtige tekenen en wonderen van de Duivel zijn bedoeld om gezalfde christenen te misleiden. Immers, aangezien de gehele wereld al in Satans macht ligt zou het voor de Bedrieger nauwelijks nodig zijn om krachtige misleidende werken en wonderen te creëren om hen die al bedrogen zijn verder te misleiden, of wel soms? Nee, Satan ‘misleidt al de gehele bewoonde aarde’. De ‘werking van Satan’ is specifiek bedoeld om diegenen te misleiden die tot Jehovah behoren. Dus wat is dan precies de ‘werking van Satan’?

Beschouw eens de volgende vraag: zou het voor Satan de Duivel als een speciaal wapenfeit moeten worden gezien (die overigens al in het verre verleden duidelijk heeft aangetoond dat hij meer dan in staat bleek te zijn geweest om door het gebruik van een verscheidenheid aan intriges op sluwe wijze binnen te dringen te midden van Jehovah’s volk) dat hij eerst het begrip in de gedachten van de oorspronkelijke gezalfde Bijbelonderzoekers implanteerde omtrent het jaar 1914 als zijnde de bestemde tijd in de profetie, en dat hij vervolgens – door middel van ‘allerlei krachtige werken’ – het orkestreren en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, deze heeft laten samenvallen met de misplaatste verwachtingen van de overenthousiaste Bible Students?

Hoewel er gedurende tientallen jaren een gevaarlijke politieke en economische rivaliteit bestond tussen de verschillende Europese grootmachten, welke de aanloop waren tot het uitbreken van de oorlog, met het gegeven dat het vuur werd ontstoken door de enkele vonk uit het pistool van een moordenaar in augustus van 1914, illustreert het het relatieve gemak waarmee de demonische heersers zoiets op een bepaald ogenblik zouden kunnen hebben bereikt.

En hoewel de mensheid in de geschiedenis regelmatig is geteisterd door plagen en pestilenties, zou niemand zo naïef moeten zijn om te veronderstellen dat het buiten het temperament of het vermogen van de Duivel ligt om een walgelijke besmetting op te roepen en te verspreiden, zoals de Spaanse griep, en om deze vervolgens samen te laten vallen met het uitbreken van de Grote Oorlog, waardoor de illusie wordt gecreëerd dat de ruiters van de Apocalyps zijn ontketend. Als gevolg hiervan werd het denken van de Bible Students in de war gebracht en raakten zij opgewonden ten aanzien van hun verwachtingen.

De beproevingen en vervolgingen die vervolgens het hoofdkwartier van The Watchtower consumeerden, met in het bijzonder de onrechtmatige opsluiting van J.F. Rutherford en zijn aanhang, en hun daaropvolgende vrijlating uit ‘Babylonische ballingschap’, hebben gediend als ‘leugenachtige tekenen en wonderen’ die worden toegeschreven aan God, waardoor het leiderschap van het Wachttorengenootschap werd misleid, met als gevolg dat zij Jehovah’s Getuigen volkomen hebben overtuigd van de stelling dat Babylon de Grote reeds gevallen is.

De barensweeën van het Wachttorengenootschap duurden zelfs ongeveer drieënhalf jaar – van 1916 tot 1919 – om zo de tijd, tijden en een halve tijd (1260 dagen) na te bootsen waar in de geïnspireerde profetie naar werd verwezen. Hoe ontzettend duivels slim! De oprichting van de Volkenbond in 1919, die vervolgens werd verwelkomd door enkele prominente geestelijken als een ‘politieke uiting van het koninkrijk Gods’, scheen ook te horen bij de vervulling van de profetie – een ander misleidend, leugenachtig teken.

Later, in de jaren 1920, sponsorde het Wachttorengenootschap een reeks jaarlijkse congressen en er werden verschillende resoluties en verklaringen uitgegeven over het goddelijke oordeel tegen Satans heerschappij. Hoewel de verklaringen zelf allang zijn vergeten, met name door degenen tegen wie ze oorspronkelijk werden uitgegeven, zijn niettemin de edicten van die conventie tot op de dag van vandaag blijven bestaan als ‘elk onrechtvaardig bedrog’, dat goedgelovige christenen ervan weet te overtuigen dat de wereldschokkende trompetten van de Apocalyps toen al hadden geklonken.

Met de opkomst van het nazisme, de Holocaust en de Tweede Wereldoorlog werden Jehovah’s Getuigen het mikpunt van wrede vervolging. Dit werd gepresenteerd als het overtuigende teken dat Satan en de demonen uit de hemel waren verdreven en naar de aarde zijn geworpen, waar ze vervolgens een ‘vloed’ van vervolging ontketenden tegen diegenen die getuigen voor het Koninkrijk.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft het Wachttorengenootschap op haast goddelijke wijze de ‘wederopstanding’ van de toenmalig overleden Volkenbond vertaald naar de vorm van de Verenigde Naties. Tot op de dag van vandaag gebruikt het Wachttorengenootschap dit als een voorbeeld van hun veronderstelde vermogen om als enigen de profetieën op juiste wijze te kunnen interpreteren.

Maar omdat volgens Openbaring het beeld tot leven zal komen van het beest uit de afgrond en dat, tevens het oordeel zal inluiden voor alle volkeren van deze wereld, is deze realiteit geenszins van deze wereld, namelijk dat de vorming van de Volkenbond of de Verenigde Naties de profetie uit Openbaring 8 zou kunnen hebben vervuld. In plaats van dat de oprichting van de VN de profetie zou hebben vervuld, moeten de aannames naar aanleiding van de veronderstelde profetische ‘inzichten’ van het Wachttorengenootschap worden gezien als nog een andere slimme, ongerechtvaardigde misleiding.

Niets van dit alles is trouwens bedoeld om te suggereren dat het Wachttorengenootschap Jehovah’s voornemen niet gediend zou hebben. Integendeel zelfs. Het feit dat de organisatie de naam van Jehovah draagt en getuigt voor Christus en het Koninkrijk der hemelen, op een wijze die onmogelijk is voor het christendom, maakt de organisatie van het Wachttorengenootschap een doelwit van de hoogste prioriteit voor omverwerping door vijandelijke mogendheden. En wat niet mag worden vergeten is het feit dat dit alles in overeenstemming is met Gods verklaarde doelstelling om ‘een misleidende invloed’ de scepter te laten zwaaien over de christelijke gemeente, totdat Christus wederkeert met zijn leger van machtige engelen om alle wettelozen binnen zijn Koninkrijk te vernietigen.

‘INDIEN MOGELIJK ZELFS DE UITVERKORENEN TE MISLEIDEN’

De waarschuwingen van Paulus aan zijn broeders met betrekking tot de krachtige werken, leugenachtige tekenen en wonderen en misleidingen welke door Satan zijn voortgebracht ‘overeenkomstig de werking van Satan’ onderstrepen alle de waarschuwing van de Heer Jezus zelf toen hij zei: ‘Wanneer dan iemand tot U zegt: “Ziet! Hier is de Christus”, of: “Daar!”, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, die grote tekenen en wonderen zullen doen teneinde, indien mogelijk, zelfs de uitverkorenen te misleiden. Ziet! Ik heb U van tevoren gewaarschuwd. Als men daarom tot U zegt: “Ziet! Hij is in de wildernis”, gaat niet uit; “Ziet! Hij is in de binnenkamers”, gelooft het niet.’

Het is niet overdreven om te zeggen dat het meest prominente kenmerk van het gedetailleerde teken van de tegenwoordigheid van Christus de herhaalde waarschuwingen zijn aan de uitverkorenen om zichzelf niet toe te staan zich te laten misleiden door de vele valse profeten en valse christussen waarover Jezus zei dat deze zouden opstaan en wonderlijke tekenen zouden verrichten.

Hoewel er duidelijke bewijzen zijn gegeven voor het feit dat de satanische parousia-misleiding al in gang is gezet, moet er wel worden opgemerkt dat de waarschuwing van de Heer betrekking heeft op een nog grotere misleiding die zal optreden tijdens de werkelijke parousia. Het feit dat Jezus zei dat de ‘grote tekenen en wonderen’ tijdens de verschijning van de vele valse christussen en valse profeten zo ontzettend bedrieglijk zouden zijn dat zelfs de mogelijkheid zou bestaan dat de uitverkorenen konden worden misleid, vormt een ontnuchterende waarschuwing aan allen die in afwachting zijn van de werderkomst van Christus. Het vormt echter een waarschuwing welke door Jehovah’s Getuigen uit het oog is verloren. Door hen die zijn verleid om te geloven in de illusie dat Bethel in alle zaken hun onfeilbare spirituele gids is, zelfs tot op dit huidige moment.

Het ontwapenende idee dat de geestelijkheid op de een of andere manier uit een soort samengestelde mens der wetteloosheid bestaat is zonder twijfel ook toe te schrijven aan de subtiele invloed die de Duivel over de organisatie heeft. Het is echter overduidelijk dat de uitverkorenen geen risico lopen om door de geestelijkheid te worden bedrogen, nu niet, noch in enig denkbaar toekomstscenario. Echter, vrijwel alle uitverkorenen van Jehovah staan onder de invloed van de organisatorische orakels die in verband staan met het Wachttorengenootschap.

Onderstreept dit feit niet op dramatische wijze juist de woorden van Jezus ‘Ziet! Ik heb U van tevoren gewaarschuwd’?

Hoewel Jehovah’s Getuigen doodsbang zijn voor hen die worden beschouwd als afvalligen en tegenstanders van de waarheid, wordt echter het veel grotere geestelijke gevaar van de ondergedompelde afvalligen binnen de leiding van de organisatie onbelicht gelaten. Zoals het ook het geval was bij de voorbeeldige apostelen, die in navolging van hun satanische meester zich met succes hadden getransformeerd tot toonaangevende dienaren der rechtschapenheid binnen de christelijke gemeente in Korinthe, lijkt het er nu ook op dat de sluwe Duivel zich opnieuw op meesterlijke wijze heeft omgetoverd tot een engel des lichts binnen de hoogste kringen van het leiderschap van Jehovah’s Getuigen. Immers, wat kan er meer misleidend zijn dan het vooropgezette plan om Jehovah’s eigen zonen en dochters ervan te overtuigen dat Jezus al is wedergekeerd en hij de getrouwe slaaf zijn onvoorwaardelijke goedkeuring heeft gegeven, terwijl dit totaal niet het geval blijkt te zijn?

Toen Jehovah destijds door middel van de profetie in Jesaja sprak over de ontsluiering van Zijn oordeel, herinnerde Jehovah diegenen die hij ‘mijn getuigen’ noemt eraan dat Hij trouw zal zijn jegens hen ‘toen er geen vreemde [god] onder U was’.

De ‘vreemde god’ onder ‘Mijn getuigen’ kan niemand anders zijn dan de Duivel en zijn snode mens der wetteloosheid, die, zoals Paulus had gewaarschuwd, zal zitten in de geestelijke tempel van Jehovah en zichzelf in het openbaar zal laten zien als een god.

Terwijl aan de ene kant de ‘vreemde god’ in hun midden op een bedrieglijke wijze Jehovah’s Getuigen heeft overgehaald om te geloven dat de Duivel geen invloed heeft op ‘Jehovah’s zichtbare organisatie’, heeft de Bedrieger gedurende al die tijd krachtige tekenen en wonderen verricht om krediet te verschaffen aan zijn institutionele afgodsbeeld met als doel om Jehovah’s Getuigen te verleiden om een valse parousia te omarmen en te promoten – een parousia gefabriceerd door de vader van de leugen, de Duivel zelf! Wat anders dan de afschuwelijke invloed van Satan kan het voortbestaan van de waan van de machtige parousia-misleiding verklaren die de Jehovah’s Getuigen tot op dit huidige moment onverbiddelijk in haar greep heeft?

Het is ontnuchterend dat, hoewel het reeds eerder is gezegd, de grootste daad van misleiding door Satan nog in werking zal treden tijdens het daadwerkelijke besluit. Op dat kritieke ogenblik zullen valse christussen en valse profeten dan overtuigend beweren dat de Christus in de ‘wildernis’ is, of in de ‘binnenkamers’. (De ‘binnenkamers’ zouden heel goed het binnenste heiligdom van het Genootschap zelf kunnen blijken te zijn, zodra de mens der wetteloosheid zichzelf tot een god zal verklaren.)

Het podium is gereedgemaakt, waarbij een ieders liefde voor de waarheid onder zware beproeving zal komen te staan zodra het tijd is om de autoriteit van het Wachttorengenootschap te verwerpen tijdens wat ongetwijfeld het aanstaande begin moet zijn van de authentieke tegenwoordigheid van Jezus Christus.

Hoewel de afvalligheid die voorafgaat aan de openbaring van Christus nog niet volledig is bewezen, is ‘het mysterie van deze wetteloosheid’ al in werking getreden, zoals de apostel het verwoordde. Eén aspect daarvan is de geestelijk overspelige afspraak die het Wachttorengenootschap heeft gemaakt met de Verenigde Naties. De onbehoorlijke details van deze onverkwikkelijke affaire worden in het volgende hoofdstuk gepresenteerd.