“daarom zal U deze dwaling worden als een gebroken stuk dat op vallen staat, een uitpuiling in een hoog opgetrokken muur, waarvan de instorting plotseling, in een ogenblik, kan komen.”

– Jesaja 30 –

 

Het Bethel hoofdkwartier van het Wachttorengenootschap waar de onhandelbare zonen verblijven zal geen blijvende stad blijken te zijnDe wederkomst van Jezus Christus kan wellicht worden beschouwd als de meest verwachtingsvolle gebeurtenis in de geschiedenis van de wereld, en, paradoxaal genoeg, tevens ook de meest onbegrepen gebeurtenis. Hoewel Jehovah’s Getuigen niet de term ‘wederkomst’ gebruiken, maakte de apostel Paulus in zijn brief aan de Hebreeën gebruik van een soortgelijke uitdrukking, waarin hij zei: ‘de tweede maal dat hij verschijnt.’ Door dit te doen vergeleek en contrasteerde de apostel bepaalde kenmerken ten aanzien van de eerste en de tweede komst van Christus naar deze wereld. En zoals werd besproken in hoofdstuk 5, suggereert de tweede verschijning van Christus een zichtbare parousia te worden in plaats van een onzichtbare parousia.

Vanwege hun valse verwachtingen bleek de langverwachte eerste verschijning van de Messias een struikelblok te zijn voor de Joodse natie als geheel. Volgens het algemene geloof werd van de Messias verwacht dat hij de troon van David in Jeruzalem zou herstellen en dat hij hen zou verlossen van de gehate Romeinse bezetter. Dat dit werkelijk de algemene verwachting van Israël was wordt bewezen door de vraag die de discipelen na zijn opstanding aan Jezus stelden, toen ze hem vroegen: ‘Heer, herstelt gij in deze tijd het koninkrijk voor I̱sraël?

Het was voor de Joden ondenkbaar dat de Messias geen integraal onderdeel van het Joodse establishment zou worden. Zij waren immers gedurende bijna tweeduizend jaar Gods uitverkoren volk geweest! En er was ook zeker geen bepaling in de Joodse Messiaanse leer met betrekking tot een tweede verschijning van Christus! Het was daarom ook onvermijdelijk dat de trotse Joodse leiders Jezus zouden verwerpen.

Echter, toen de Romeinen Jeruzalem en de tempel hadden vernietigd in het jaar 70 n.Chr. kwam het Joodse religieuze systeem tot een abrupt einde, en daarmee ook de mogelijkheid dat een toekomstige Messias zou voortkomen uit de Hebreeuwse natie. Vanuit Jehovah’s standpunt had het Joodse systeem zijn doel gediend. Het had de beloofde Messias voortgebracht zoals God zich had voorgenomen, waarna dat systeem van aanbidding tot een einde werd gebracht.

Uit het schrijven aan de Hebreeuwse christenen blijkt dat het de bedoeling van Paulus was om hen voor te bereiden op het naderende einde van het Joodse religieuze systeem. Als voorbeeld hiervan schreef Paulus in verwijzing naar Jeruzalem in Hebreeën 13:12-14: ‘Daarom heeft ook Jezus, om het volk met zijn eigen bloed te kunnen heiligen, buiten de poort geleden. Laten wij dan tot hem gaan buiten de legerplaats en de smaad dragen die hij heeft gedragen, want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken ernstig de toekomstige.

Door te stellen dat Jezus ‘buiten de poort’ was, verwees Paulus naar het feit dat Christus letterlijk buiten de stadsmuren van Jeruzalem werd geëxecuteerd; en door te zeggen dat hij ‘buiten de legerplaats’ was, maakte de apostel een vergelijking met de dierenoffers die werden gebracht in de tabernakel, waarbij de overblijfselen als afval werden afgevoerd ‘buiten het kamp’. Door het maken van die analogie zei de apostel in feite dat Jezus zich buiten de Joodse religieuze institutie bevond welke gecentreerd was in Jeruzalem.

En omdat de eerste-eeuwse christenen in volle verwachting waren van de ophanden zijnde komst van Christus, lijkt het waarschijnlijk dat ze daarom ook verwacht zouden hebben dat Jezus zou terugkeren naar de fysieke stad Jeruzalem. Er bestaat geen twijfel over dat dit de reden was waarom Paulus de Hebreeuwse christenen eraan herinnerde dat zij aan Jeruzalem niet ‘een stad die blijft’ hadden.

Omdat zowel Jezus als Paulus de uitdrukking ‘het besluit van het samenstel van dingen’ gebruikte in verband met het einde van Jeruzalem als zijnde het centrum van de aanbidding van Jehovah, is het evident dat het patroon uit de eerste eeuw een speciale betekenis had voor de christenen die in leven zouden zijn ten tijde dat ‘hij voor de tweede keer zou verschijnen’, tijdens het besluit van het huidige wereldwijde samenstel van dingen.

In het 12de hoofdstuk van Hebreeën herinnert Paulus de christenen aan de ontzagwekkende kracht die werd tentoongesteld toen Jehovah zichzelf aan de Israëlitische natie had geopenbaard die zich aan de voet van de berg Sinaï had verzameld. Toen Jehovah vanaf het hoogste punt tot Mozes sprak, trilde de hele berg en was deze gehuld in een angstaanjagend schouwspel van vuur en rook. Om elke notie te verdrijven over dat dit fenomeen mogelijk een natuurlijke vulkanische activiteit betrof, schalden er oorverdovende trompetten uit het onzichtbare. Paulus legde daarna de betekenis uit van die gebeurtenis met een citaat van de profeet Haggai. Hij schreef: ‘Zijn stem deed toen de aarde schokken, maar nu heeft hij de belofte gedaan en gezegd: “Nog eenmaal wil ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel in beroering brengen.” Welnu, de uitdrukking “Nog eenmaal” duidt op de verwijdering van de dingen die worden geschokt als dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die niet worden geschokt, blijven. Laten wij daarom, aangezien wij een koninkrijk zullen ontvangen dat niet geschokt kan worden […]’ (- Hebreeën 12:26-28a).

Oorspronkelijk werd aangetoond dat ‘de dingen die worden geschokt’ het gehele Joodse religieuze systeem bleek te zijn, met zijn Heilige Stad, tempel en priesterschap, welke volledig uit hun bestaan geschud zouden worden. Toch voorzegt de profetie van Haggai, waaruit de apostel citeerde, dat Jehovah alle ‘natiën zal beroeren’, en niet slechts alleen Jeruzalem.

Nu dit het geval blijkt te zijn, is het evident dat de profetieën oproepen tot de totale vernietiging van het gehele goddeloze samenstel der dingen, om zodoende in vergetelheid te geraken zodra Christus voor de tweede maal verschijnt. Dat zou onder meer het geval zijn voor dat wat tot dan toe als het aardse centrum voor de aanbidding van Jehovah gediend zal hebben, zoals bij Jeruzalem oorspronkelijk ook het geval was geweest. Kennelijk zal het enige wat nog overeind zal blijven staan zodra de rook opgetrokken zal zijn, het Koninkrijk van God zijn, samen met de kinderen van wie hun geloof in Gods Koninkrijk onwankelbaar zal blijken te zijn.

ZAKEN RECHTZETTEN DIE IN EDEN ZIJN ONTSTAAN

Tragisch genoeg is het menselijk ras van God vervreemd geraakt sinds de tijd dat Adam en Eva in opstand kwamen tegen Jehovah, waarna zij werden verdreven uit het paradijs van genoegen, beter bekend als de Tuin van Eden. De vertrouwensrelatie tussen Adam en zijn Schepper, waar Adam kortstondig van heeft kunnen genieten, was geruïneerd, zowel voor zichzelf alsook voor zijn toenmalige ongeboren nakomelingen.

Als een hint van de hechte vriendschap die ooit bestond tussen God en de mens laat Genesis zien dat in de vroegere tijd, toen de wereld nog als nieuw was, de aanwezigheid van God zich op een manier manifesteerde toen Hij ontspannen door de tuin van Eden wandelde tijdens het zwoele gedeelte van de dag en terloops in gesprek was met zijn aardse zoon, Adam. Sinds dat vluchtige moment van perfecte harmonie tussen God en de eerste mens waren de latere optekeningen over de geschiedenis aan de andere kant van de poorten van Eden slechts een kroniek over het kwaad dat volgde als gevolg van de vervreemding tussen de mens en God.

Maar Jehovah is zoals een vastberaden en lankmoedige ouder geweest met een probleemkind. In al zijn grootse wijsheid wist Jehovah dat de enige manier waarop de mensheid uiteindelijk zal kunnen worden verlost van haar dwaasheid en uiteindelijk tot het besef en de waardering zal komen dat de voordelen van het volledige vertrouwen op God en de volledige gehoorzaamheid aan God pas duidelijk worden nadat we de pijnlijke gevolgen zullen hebben ondervonden naar aanleiding van al onze trots, dwaasheid en ons gebrek aan geloof.

Zoals Jehovah’s Getuigen weten, staat naast de verlossing van de mensheid Gods doel centraal om het Koninkrijk van Christus op te richten. Naast Jezus zullen 144.000 uit de mensheid afkomstige uitverkoren koningen en priesters samen met hem gaan regeren, die uiteindelijk zullen worden uitgenodigd om naar de woonplaats van Jehovah te komen in de hemel, de ware heilige berg en de stad van God. Maar welk doel zullen ze dienen? Het staat vast dat Jehovah en Jezus hun hulp als medekoningen niet nodig zullen hebben. Voorwaar, waarom zou God überhaupt iemand van de aardse wereld uitnodigen om in de hemelse sferen te komen wonen?

Terug in de Tuin van Eden had de oorspronkelijke slang gesuggereerd dat God in al zijn wantrouwen iets goeds achterhield voor Adam en Eva. ‘Is het werkelijk zo?’, zoals de sluwe cherub betwistte. Later, gedurende de dagen dat Job op de aarde was, insinueerde Satan op verraderlijke wijze dat God schuldig was aan het dwingen van zijn dienaren om hem te gehoorzamen door middel van louter omkoping. Tot zijn eeuwige verheerlijking gaf Jehovah antwoord op de lasterlijke beschuldigingen op een manier die veel verderging dan wat enige engel of mens redelijkerwijs had kunnen verwachten. Niet alleen zou Jehovah de middelen en omstandigheden verschaffen om juridisch de mensheid los te kopen en deze te herstellen tot de omstandigheden van het aards paradijs – waarmee Hij tevens bewees dat Hij vanaf het begin het beste voorhad met de mensheid -, in zijn grootse edelmoedigheid had Jehovah zich ook voorgenomen om een vastgesteld aantal uit de mensheid te selecteren, die Hij vervolgens zou verheffen tot de hemel zelf.

Maar Gods genade strekt zich zelfs verder uit dan alleen het herscheppen van een aantal mensen tot geestelijke wezens. Het is Jehovah’s doel om deze speciale uitverkorenen leven in zichzelf te schenken. Dat is iets dat geen enkel mens ook maar zou kunnen bezitten, omdat aardse schepselen door de natuur afhankelijk zijn van externe krachten om in leven te kunnen blijven. En hoewel de engelen een superieure levensvorm zijn, bezitten zelfs zij niet het leven in zichzelf. Het hebben van het leven in zichzelf betekent dat je werkelijk onsterfelijk bent. Onsterfelijke wezens zijn zelfs niet langer afhankelijk van Jehovah voor hun levensonderhoud. Onsterfelijkheid betekent het zijn van een onsterfelijk, onvergankelijk en onverwoestbaar wezen. Onsterfelijk bestaan in zijn eigen recht. Onsterfelijkheid is het hebben van het leven zoals de enige Almachtige Jehovah God zelf bezit!

Dus Jehovah verheft niet alleen vrijwillig louter menselijke wezens tot zijn tegenwoordigheid – waarvan sommigen zelfs behoorden tot het uitschot van de gedegradeerde menselijke samenleving -, maar Hij heeft zich ook tot doel gesteld dat zij precies zoals Hij zullen worden, in diezelfde hoedanigheid: glorieuze, onsterfelijke, goddelijke wezens. En dat is precies wat Satan impliceerde dat Jehovah volgens hem niet bereid was om op te geven toen hij zei: ‘Want God weet dat nog op de dag dat GIJ ervan eet, UW ogen stellig geopend zullen worden en GIJ stellig als God zult zijn, KENNEND goed en kwaad.

Volgens de Duivel heeft God geen vertrouwen in zijn eigen creatie. En omdat de eerste mensen en de Lasteraar absoluut niet betrouwbaar waren, kon iemand toen werkelijk iets anders beweren? Maar in tegenstelling tot de arrogante beschuldigingen van de Duivel heeft Jehovah zich wel bereid gevonden om liefdevol de onvoorstelbare gave om precies zo te worden als Hijzelf aan Christus en een select gezelschap van de zonen van Adam te schenken. Naar alle waarschijnlijkheid had de Lasteraar geen enkel bevattingsvermogen van de omvang van Jehovah’s liefde voor Zijn schepping. Dus met de vervulling van zijn eeuwige doel in het vooruitzicht heeft Jehovah zichzelf op een prachtige en meesterlijke wijze gevestigd als de ‘God der goden’. Niet alleen heeft Hij bewezen dat Hijzelf krachtiger en oneindig veel wijzer is, maar Jehovah is ook verrukt doordat Hij zijn morele superioriteit en zijn goddelijkheid heeft kunnen demonstreren aan zowel zijn menselijke als aan zijn demonische tegenstanders.

Ten aanzien van de prachtige manier waarop Jehovah heeft gereageerd op de uitdaging van Satan, waarbij Satan Gods glorieuze doel trachtte te vernederen en te bagatelliseren, heeft de Duivel door de eeuwen heen geprobeerd om met al zijn sluwheid de absurde leugen te verspreiden dat de mens beschikt over een inherente onsterfelijke ziel. Hij heeft ook op schaamteloze wijze de valse religieuze doctrine bevorderd dat alle ‘goede’ mensen naar de hemel gaan zodra zij sterven, alsof dat privilege op de een of andere manier het geboorterecht was van de mensheid en dit niet volledig afhankelijk zou zijn van de exclusieve keuze van Jehovah en zijn onverdiende goedheid. Het is duidelijk dat het een vooropgezet plan was van de Duivel om Gods speciale gave te devalueren voor het aangezicht van de wereld, waardoor het allemaal iets vanzelfsprekends leek.

De waarheid is echter dat Jehovah niet zomaar iemand uitkiest om een eeuwige hemelse woonplaats aan toe te kennen met zichzelf, net zoals dat dit geldt voor onsterfelijkheid, tenzij zij eerst bewijzen dat ze een onvoorwaardelijke trouw en loyaliteit aan Hem betonen. En om onder zijn uitverkorenen te zorgen voor een onverzettelijk geloof, moeten zij eerst Jehovah’s misnoegdheid en zijn matigende discipline doorstaan, want zelfs in de Schrift staat dat onze Heer zegt dat gehoorzaamheid wordt geleerd door de dingen die men heeft moeten doorstaan.

Dat is de reden waarom de apostel de Hebreeën aanspoorde om zijn disciplinerende woorden te doorstaan, ongeacht hoe ernstig deze waren. In Hebreeën 12:8-10 schreef Paulus: ‘Indien GIJ echter zonder het strenge onderricht zijt waarvan allen deelgenoten zijn geworden, zijt GIJ in werkelijkheid onwettige kinderen en geen zonen. Bovendien hadden wij vroeger vaders die van ons vlees waren om ons streng te onderrichten, en wij betoonden hun steeds achting. Zullen wij ons dan niet veel meer aan de Vader van ons geestelijke leven onderwerpen en leven? Want zij dienden ons gewoonlijk gedurende enkele dagen naar hun eigen goeddunken streng onderricht toe, maar hij doet het tot ons nut, opdat wij deel zouden krijgen aan zijn heiligheid.’ Een paar verzen later in hetzelfde 12de hoofdstuk citeert Paulus gedeeltelijk uit Jesaja, waarin hij zei: ‘Daarom, richt de neerhangende handen en de verslapte knieën op, en blijft rechte paden voor UW voeten maken, opdat wat kreupel is niet ontwricht raakt, maar veeleer gezond gemaakt wordt.

Het 35ste hoofdstuk van Jesaja, de bron van het citaat van Paulus, bevat Gods liefdevolle vermaning aan Israël nadat de natie een van de zwaarste straffen had doorstaan. Het is evident dat door de inspiratie van de apostel Paulus hij in werkelijkheid de christenen vermaande die zouden leven ten tijde van het besluit van het samenstel van dingen, want dat is wanneer Jehovah de hemelen en de aarde zal doen schudden en wanneer Hij degenen die hij zijn zonen noemt ernstig zal disciplineren. Dat zal de gelegenheid vormen die wordt gemarkeerd als de tijd wanneer ‘het Israël Gods’ uiteindelijk ten overstaan van de ontzagwekkende hemelse berg Sion gebracht zal worden.

Nadat we nader hebben overwogen hoe Jehovah voornemens is om permanent alle zaken recht te zetten naar aanleiding van de uitdaging ten aanzien van zijn universele soevereiniteit, dienen we nu het ultieme hoogtepunt van Zijn werk in ogenschouw te nemen.

‘UW GROOTSTE ONDERWIJZER ZAL ZICH NIET LANGER VERBERGEN’

Als de Schepper en rechtmatige Heerser van het universum is God exclusief gekwalificeerd om zijn schepping te instrueren. Het kan echter ook Gods doel dienen door zich simpelweg voor een tijd op de achtergrond te verbergen om zodoende de gebeurtenissen zichzelf te laten ontvouwen, zoals God zelf zei toen hij de vraag in Jesaja 57:11 stelde: ‘Bewaarde ik niet het stilzwijgen en hield ik geen zaken verborgen?

Volgens de context van het 30ste hoofdstuk van Jesaja zal het gedurende de schrijnende gebeurtenissen onmiddellijk voorafgaand aan het einde van de wereld zijn wanneer Jehovah zichzelf uiteindelijk zal openbaren als de Grootste Onderwijzer en Redder van degenen die hun vertrouwen op Hem richten. Dat is de reden waarom Jesaja 30:20 zegt: ‘En Jehovah zal ulieden stellig brood in de vorm van benauwdheid geven en water in de vorm van onderdrukking; toch zal uw Grootse Onderwijzer zich niet langer verbergen, en uw ogen moeten [ogen] worden die uw Grootse Onderwijzer zien.

De context geeft aan dat Jehovah zichzelf onthult als de Grootse Onderwijzer van zijn volk tijdens het oordeel. Daarom lezen we in Jesaja 30:18: ‘En daarom zal Jehovah er vol verwachting naar blijven uitzien U gunst te betonen, en daarom zal hij opstaan om U barmhartigheid te betonen. Want Jehovah is een God des gerichts. Gelukkig zijn allen die hem blijven verwachten.

Maar als God zichzelf al in 1919 volledig heeft geopenbaard als de Grootse Onderwijzer, zoals het Wachttorengenootschap te kennen geeft, welk doel zou het dan nog hebben voor zijn dienaren om vol verwachting te blijven uitzien naar Zijn gunst en zijn levensreddende onderwijs? De waarheid omtrent deze kwestie is dat Jehovah’s volk nog moet worden gevoed met het brood der benauwdheid en het drinken uit de bittere wateren der onderdrukking, en het is in die nederige omstandigheid waarin Gods volk zich spoedig zal bevinden wanneer Jehovah zichzelf als de Grootse Onderwijzer zal openbaren.

In het licht van het voorgaande moet Jesaja 30:21 ook een toekomstige vervulling hebben. Dit vers luidt: ‘En uw eigen oren zullen een woord achter u horen, dat luidt: “Dit is de weg. Wandelt daarop”, ingeval gijlieden rechts of ingeval GIJ links zoudt gaan.’

Overweeg dan nu de volgende vraag: indien Jehovah de leiding heeft en zijn mensen hem vermoedelijk volgen, en toch zijn stem horen, alsof die afkomstig is van achter hen, staat dit dan niet symbool voor de bedoeling om aan te geven dat Gods volk zich op een dwaalspoor heeft begeven op het moment dat hun Grootse Onderwijzer tot hen spreekt alsof Hij achter hen staat – alsof Hij hen wenkte om zich om te keren? Volgens het Wachttorengenootschap niet. Dit is wat hun commentaar over Jesaja zegt: ‘Wanneer getrouwe aanbidders in deze tijd de Bijbel lezen, is het alsof Gods vaderlijke stem hun zegt welke weg zij moeten bewandelen en hen aanspoort hun levenswandel dienovereenkomstig aan te passen. Iedere christen moet aandachtig luisteren naar wat Jehovah zegt via de bladzijden van de Bijbel en via op de Bijbel gebaseerde publicaties waarin “de getrouwe en beleidvolle slaaf” voorziet.’

Indien we even de verkeerde, op zichzelf gerichte interpretaties van het Wachttorengenootschap terzijde schuiven, moet duidelijk zijn dat Gods uiteindelijke ogen openende instructies niet zullen komen ‘door middel van Bijbelse publicaties’ van het Wachttorengenootschap. De grote ironie is dat de hardnekkige ontkenning van Bethel, waarbij haar eigen behoefte aan Gods corrigerende raad wordt ontkend, een van de belangrijkste redenen lijkt te zijn waarom de Grootse Onderwijzer het nodig zal vinden om Zijn volk tot de orde te roepen, waarop Hij hun de instructie zal geven om zich om te keren, berouw te tonen en om zonder af te wijken het nieuwe pad te volgen.

‘WEE DE ONHANDELBARE ZONEN’

In Jesaja 30:1 richt Jehovah zich tot de Israëlieten als zijnde ‘onhandelbare zonen’: ‘“Wee de onhandelbare zonen”, is de uitspraak van Jehovah, “[die geneigd zijn] raad ten uitvoer te brengen, maar niet die van mij; en een plengoffer uit te gieten, maar niet met mijn geest, om zonde op zonde te stapelen; die op weg gaan om naar Egy̱pte af te dalen en míȷ́n mond niet hebben geraadpleegd, om beschutting te zoeken in de vesting van Farao en toevlucht te zoeken in de schaduw van Egy̱pte!

Het is vermeldenswaardig dat Jesaja 30:1 niet de enige plaats in Jesaja is waar God ‘wee’ uitspreekt over zijn volk. Om precies te zijn begint ieder hoofdstuk van Jesaja, beginnend met hoofdstuk 28 tot en met 31, op dezelfde wijze. Bijvoorbeeld, Jesaja 28:1 zegt: ‘Wee de eminente kroon van de dronkaards van E̱fraïm, […].’ In Jesaja 29:1 staat eveneens: ‘“Wee A̱riël, A̱riël” […].’ Jesaja 31:1 zegt: ‘Wee hun die afdalen naar Egy̱pte… maar die… Jehovah zelf niet hebben gezocht.

Jehovah’s zonen hebben toegang tot de raad van hun Vader, maar tot hun grote schande weigeren zij halsstarrig om te vertrouwen op Gods wijsheid en geest. In plaats daarvan tonen zij slechts de pretentie dit te doen, terwijl zij vertrouwen op hun eigen bevoegdheden en hun persoonlijke voornemens. Zoals uit de context blijkt, hebben deze ontwikkelingen veel meer ingrijpende gevolgen dan slechts het geval was in het oude Israël. Maar kunnen de moderne Jehovah’s Getuigen van vandaag werkelijk worden vergeleken met die onhandelbare zonen van Israël die wee over zichzelf brachten?

Helaas blijkt dit het geval te zijn. Het leiderschap van de Jehovah’s Getuigen blijkt geneigd om op dezelfde wijze zijn eigen plannen uit te voeren, wat ertoe kan leiden dat christenen de schijn kunnen wekken God te gehoorzamen, terwijl hun werkelijke offers niet noodzakelijkerwijs in overeenstemming zijn met Gods wil.

Het staat vast dat de compromitterende samenwerking tussen het Wachttorengenootschap en de Verenigde Naties bestempeld kan worden als een goddeloze alliantie. En hun voortdurende ontkenning hiervan stapelt alleen maar zonde boven zonde op, zoals Jesaja het verwoordde. Een offer dat zeker niet Jehovah’s zegen had.

Net zoals dat de Israëlieten voor hun veiligheid uitweken naar Egypte, hebben blijkbaar de advocaten van het Genootschap ook twijfelachtige deals gesloten in achterkamertjes met verschillende politieke instanties, zij aan zij met de VN, met het oog op het bevorderen van de belangen van het Wachttorengenootschap in bepaalde landen. Bijvoorbeeld in de late jaren 1990, waarin het Wachttorengenootschap juridische erkenning werd geweigerd door de Bulgaarse regering, omdat – onder andere – de autoriteiten vonden dat het Wachttorengenootschap zijn leden dwong tot het weigeren van bloedtransfusies door richting hen te dreigen met sancties vanuit de diverse gemeenten. Het Wachttorengenootschap ging ten aanzien hiervan tegen de Bulgaarse beslissing in beroep bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens. In 1998 zijn zijn advocaten tot een compromis gekomen. De Bulgaarse regering zou het Wachttorengenootschap wettelijke erkenning verlenen en de Jehovah’s Getuigen zou de status worden gegeven van gewetensbezwaarden. En in ruil daarvoor zou het Wachttorengenootschap instemmen door geen sancties op te leggen aan de Bulgaarse getuigen die wel bloedtransfusies zouden accepteren. Uiteraard heeft het leiderschap van het Wachttorengenootschap over dit compromis geen publieke uitspraken gedaan richting de Jehovah’s Getuigen zelf.

Meer recent heeft een lid van het Besturend Lichaam, Geoffrey Jackson, onder ede een verklaring afgelegd, ten overstaan van de Royal Commission of Australia, waarin hij verklaarde dat de reden waarom Jehovah’s Getuigen geen enkele misdaad aan de lokale autoriteiten hadden gerapporteerd van de meer dan 1000 bekende misdrijven die in diverse gemeenten tegen kinderen werden gepleegd, was dater geen wet van kracht was die het hen verplichtte om deze misdaden omtrent kindermisbruik aan de lokale autoriteiten te melden. Jackson beweerde dat christelijke ouderlingen gebonden waren door de Bijbel om hun grenzen niet te overschrijden in zulke zaken. Indien echter de overheid een wet zou invoeren die deze heilige teksten opzij zou zetten, dan zou dat hun ‘dilemma oplossen’, zoals broeder Jackson dit formuleerde.

Dergelijke bereidheid om te onderhandelen met de Duivel over vitale geloofszaken geeft aan dat de geestelijk leiders en woordvoerders van Jehovah’s Getuigen inderdaad voldoen aan het profiel uit de profetie waarin zij worden beschreven als degenen die hun eigen plannen uitvoeren, zonder Jehovah te raadplegen. Inderdaad: wee voor de onhandelbare zonen die weigeren om rekenschap af te leggen en zich niet willen bekeren van hun huichelarij en verraad!

Hoewel het misschien onbeduidend lijkt te zijn, zei Jezus dat de persoon (of instelling) die ontrouw is in het geringste ook ontrouw is in de grote dingen. Indien dat het geval blijkt te zijn, gelet op het feit dat er sprake is van een neiging tot het sluiten van compromissen met het oog op het beschermen van de zakelijke belangen van het Wachttorengenootschap, hoe zou het leiderschap van het Wachttorengenootschap dan reageren wanneer het geconfronteerd zou worden met een toekomstige ondergang van de Organisatie?

Het ingebeelde geloof onder Jehovah’s Getuigen is dat God zijn zogenaamde ‘zichtbare aardse organisatie’ zal beschermen tegen alle denkbare calamiteiten. Dat komt doordat veel van de profetieën onjuist zijn toegepast, zodat het gewoon onbestaanbaar is in de hoofden van de Jehovah’s Getuigen dat de organisatie wel eens het voorwerp zou kunnen worden van Jehovah’s toorn. Als voorbeeld waardoor wordt bijgedragen aan deze manier van denken, past het Wachttorengenootschap het volgende vers toe op zichzelf: ‘“Zie! Ikzelf heb de handwerksman geschapen, die het houtskoolvuur aanblaast en een wapen als zijn werk te voorschijn brengt. Ikzelf heb ook de verderver geschapen voor te gronde richtend werk. Geen enkel wapen dat tegen u gesmeed zal worden, zal succes hebben, en elke tong die tegen u zal opstaan in het gericht, zult gij veroordelen”’ (Jesaja 54:16-17).

Echter, dit gedeelte van Jesaja – hoewel dit meer dan een eeuw werd geschreven voordat Jeruzalem werd vernietigd door de Chaldeeën – is eigenlijk een projectie van Gods stem aan zijn volk dat in ballingschap leefde in Babylon, waarbij Hij hen verzekerde van zijn zegen en dat Jeruzalem zou worden herbouwd en uiteindelijk Gods grote doel zou vervullen in verband hiermee.

Maar het voor de hand liggende feit blijft echter dat het wapen dat God gebruikte tegen de eigenzinnige Joden feitelijk ‘succes’ heeft gehad. Niets kon voorkomen dat Jeruzalem zou worden vernietigd zodra God zijn verordening had uitgesproken. In dat opzicht is het kenmerkend dat Jeruzalem datgene typeert wat tegenwoordig de zichtbare aardse organisatie van Jehovah wordt genoemd.

De context van het 54ste hoofdstuk van Jesaja heeft te maken met God die zijn organisatie waarmee hij een verbond heeft troost in de nasleep van de verwoesting van Jeruzalem: ‘“O gekwelde vrouw, door stormen heen en weer geslingerd, ongetroost, zie, ik leg met harde mortel uw stenen, en ik wil uw fundament leggen met saffieren. En ik wil uw kantelen van robijnen maken en uw poorten van vurige, fonkelende stenen, en al uw grenzen van verrukkelijke stenen. En al uw zonen zullen door Jehovah onderwezen personen zijn, en de vrede van uw zonen zal overvloedig zijn.”’

Hoewel de fysieke stad Jeruzalem werd herbouwd’, richt de profetie zich duidelijk op een grotere geestelijke realiteit in relatie tot de hemelse stad van het Nieuwe Jeruzalem. Dat blijkt evident uit het 21ste hoofdstuk van Openbaring, dat het Nieuwe Jeruzalem afbeeldt met een gelijksoortige symboliek. Het betreft dus deze symbolische stad, het daadwerkelijke Koninkrijk der hemelen, welke nooit zal worden vernietigd.

Zonder enige twijfel toont het leiderschap van het Wachttorengenootschap aan dat zij net zo zijn als de onhandelbare zonen, waarbij zij zichzelf ondersteunen door middel van onjuiste interpretaties van de profetieën. Net zoals het oude Joodse establishment dat probeerde om Jehovah’s profeten tot zwijgen te brengen, is het Wachttorengenootschap ook bereid om iedere suggestie te bespotten die suggereert dat Gods oordeel van toepassing zou kunnen zijn op Jehovah’s Getuigen in plaats van op het christendom.

Dat is de reden waarom de profeet spreekt namens Jehovah tegen de onhandelbare zonen, zeggende: ‘Want het is een weerspannig volk, leugenachtige zonen, zonen die de wet van Jehovah niet hebben willen horen; die tot de zieners hebben gezegd: “GIJ moet niet zien”, en tot degenen die visioenen hebben: “GIJ moet voor ons niet schouwen wat recht is. Spreekt tot ons vleiende dingen; schouwt bedrieglijke dingen”’ (Jesaja 30:9-10).

Hoewel vrijwel iedere Hebreeuwse profeet rechtstreeks voorzegt hoe ‘Israël’ in het gericht met God zal worden gebracht, heeft het Wachttorengenootschap op slinkse wijze alle negatieve aspecten van deze profetische visioenen afgewend op het christendom of deze toegepast op de relatief insignificante gebeurtenissen die de International Bible Students tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn overkomen. Of zij negeren simpelweg bepaalde delen van de Bijbel in zijn geheel. ‘Bedrieglijke zonen’, inderdaad!

Het Wachttorengenootschap heeft steevast geweigerd om de wet van Jehovah in dit verband aan te horen. De ‘zieners’ zijn degenen die het juiste begrip van de profetische visioenen ‘zien’ die Jehovah oorspronkelijk aan de Bijbelse visionairs, zieners en profeten gaf. Echter is er vandaag de dag onder Jehovah’s Getuigen geen plaats voor enige soorten van moderne zieners die dingen ‘zien’. Net zoals de Joden destijds niet ontvankelijk waren voor de hemelse bevelen, zo is de leiding van de Organisatie ook niet bereid om Gods raad te aanvaarden zoals behelsd in de Schrift. Zij geven de voorkeur aan ‘vleiende dingen’ die de deugden van de getrouwe slaaf prijzen en liever de successen van het wereldwijde verkondigingswerk willen horen. Ze laten alleen een ‘bedrieglijke illusie’ bestaan binnen het theocratische arrangement – een ‘misleidende invloed’, zoals Paulus het omschreef.

In dit opzicht heeft deze voorkeur van het Wachttorengenootschap ten aanzien van profetische interpretaties zichzelf daarmee opgericht als een ondoordringbare, beschermende muur – waarvan wordt verondersteld dat zij stevig is gevestigd.

Wat zitten zij er toch naast!

‘EEN HOOG OPGETROKKEN MUUR DIE OP VALLEN STAAT’

Het 30ste hoofdstuk van Jesaja geeft uiting aan Jehovah’s voornemen tot het neerslaan van de ‘hoog opgetrokken muur’ van fouten die de organisatie heeft opgebouwd. Jehovah zegt: ‘Met het oog op UW verwerping van dit woord, en [aangezien] gijlieden vertrouwt op afzetterij en op slinksheid en daarop steunt, daarom zal U deze dwaling worden als een gebroken stuk dat op vallen staat, een uitpuiling in een hoog opgetrokken muur, waarvan de instorting plotseling, in een ogenblik, kan komen. En men zal hem stellig breken zoals men een grote pottenbakkerskruik breekt, [die wordt] stukgeslagen zonder dat men [haar] verschoont, zodat er onder haar stukgeslagen brokken geen scherf van aardewerk gevonden kan worden om daarmee het vuur uit de haardstede te halen of water uit een drassige plaats te scheppen.

Maar is de profetie van Jesaja werkelijk van toepassing op het Wachttorengenootschap?

Denk aan een andere verwante profetie uit het 13de hoofdstuk van Ezechiël. Net zoals de opeenvolgende hoofdstukken in Jesaja wee uitspreken over Gods volk, kondigt Ezechiël 13:3 aan: ‘Wee de verstandeloze profeten, die hun eigen geest volgen, terwijl er niets is dat zij gezien hebben!

Wie zijn diegenen die door Ezechiël in opdracht van God aan de kaak worden gesteld? Jehovah gaat verder door te spreken over ‘verstandeloze profeten’: ‘Zij hebben iets wat onwaar is en een leugenachtige waarzegging geschouwd, zij die zeggen: “De uitspraak van Jehovah is”, terwijl Jehovah zelf hen niet heeft gezonden, en zij hebben gewacht op het uitkomen van een woord. Is het niet een onwaar visioen dat gijlieden hebt geschouwd, en een leugenachtige waarzegging die GIJ hebt gesproken, door te zeggen: “De uitspraak van Jehovah is”, terwijl ikzelf niets heb gesproken?’

Wanneer we de christelijke parallel met de profetie in beschouwing nemen, wie anders dan het Wachttoren Bijbel en Traktaatgenootschap spreekt met autoriteit uit naam van Jehovah? Zoals alle Jehovah’s Getuigen weten beweert het Wachttorengenootschap het aardse mondstuk van God te zijn. Als zodanig beweert de organisatie dat haar profetische interpretaties gebaseerd zijn op de authentieke uiting van Jehovah. Dit komt des te meer tot uiting als het gaat om een aantal van de profetieën die het Wachttorengenootschap heeft verbonden aan 1914. Het is alsof de profeten van Bethel de afgelopen eeuw ‘hebben gewacht op het moment dat hun woord zou uitkomen’ – echter tevergeefs. Doordat zij blijven vasthouden aan hun visie omtrent 1914 ontstaan er door het verloop van onderhand meer dan honderd jaren alleen maar meer barsten en scheuren in deze muur.

In het licht van het feit dat de meeste interpretaties met betrekking tot de profetieën van het Wachttorengenootschap fouten bevatten, welke onomstotelijk zijn bewezen aan de hand van de vele pagina’s van deze publicatie, worden deze interpretaties en dogma’s vanuit Jehovah’s standpunt gezien als ‘valse visioenen’. En omdat deze ‘profeten’ gebruikmaken van de autoriteit van de organisatie en daarnaast claimen te spreken in naam van Jehovah, alsof zij hun esoterische kennis rechtstreeks hebben geput uit een goddelijke bron, is het alsof dergelijke visionairs leugenachtige voorspellingen aan het bevorderen zijn. (Merk op om welke reden de Nieuwe-Wereldvertaling in 2015 het woord ‘waarzeggerij/voorspelling’ heeft vervangen en eenvoudig heeft vertaald als ‘leugen’. Echter, andere vertalingen gebruiken het woord ‘waarzeggerij’. Byington maakt bijvoorbeeld gebruik van de uitdrukking ‘leugen’. Waarzeggerij: ‘waarzegger van valsheden’)

Maar de vraag blijft echter staan: is dit werkelijk van toepassing op degenen die daadwerkelijk Gods volk zijn, of is dit slechts van toepassing op degenen die ten onrechte beweren als zodanig te zijn?

Ezechiël 13:9-10 geeft het antwoord: ‘En mijn hand is gekomen tegen de profeten die onwaarheid schouwen en die een leugen waarzeggen. In de intieme groep van mijn volk zullen zij niet blijven, en in het register van het huis van I̱sraël zullen zij niet geschreven worden, en op I̱sraëls bodem zullen zij niet komen; en gijlieden zult moeten weten dat ik de Soevereine Heer Jehovah ben, omdat, ja, omdat zij mijn volk op een dwaalspoor gebracht hebben, door te zeggen: “Er is vrede!”, terwijl er geen vrede is, en er is iemand die een scheidsmuur bouwt, maar tevergeefs zijn er die hem met witkalk bepleisteren.’

De profetie stelt duidelijk dat de ‘verstandeloze profeten’ het volk op een dwaalspoor hebben gebracht. Uiteraard leert het Wachttorengenootschap dat de veroordeelde valse profeten die onwaarheid schouwen de geestelijken typeren uit het christendom. Maar als echter Jehovah’s Getuigen Gods ware volk zijn, hoe komt het dan dat de vermeende ‘verstandeloze profeten’ uit het christendom de macht bezitten om invloed op Gods volk uit te oefenen door hen op een dwaalspoor te leiden?

De profeten tegen wie Jehovah spreekt zijn de meest vooraanstaande mannen binnen de Organisatie. Zij zijn verantwoordelijk voor de misleiding van Jehovah’s Getuigen doordat zij onwaarheid schouwen en die een leugen waarzeggen. Het is de leer van het Wachttorengenootschap die voortdurend de oren van Jehovah’s Getuigen prikkelt en hen verzekert dat er op het moment vrede heerst en dat alles goed gaat in het geestelijk paradijs.

Ontegenzeggelijk heeft het Wachttorengenootschap veel moeite gedaan om Jehovah’s Getuigen ervan te overtuigen dat Jehovah koning werd in 1914 door bijna elke profetie in de Bijbel te koppelen aan die datum, en dus goedgelovige christenen te verblinden om de realiteit te kunnen zien met betrekking tot een toekomstige tegenwoordigheid van Christus.

De analogie van een scheidingsmuur is juist. Bethel heeft een nauwgezette omvangrijke muurachtige structuur aangelegd van Bijbelse profetie die hoofdzakelijk dient om de positie van het Wachttorengenootschap te versterken als zijnde Jehovah’s organisatie. Het logo van de organisatie omvat een torenhoge, uit steen en mortel vervaardigde uitkijktoren – wat een ironische manifestatie is van het metaforische.

Alsof het haar standvastige commitment toont ten aanzien van het behoud van de muur, heeft Bethel in de aanloop naar 2014 een artikel gepubliceerd waarin zij het 100-jarige bestaan van de Koninkrijksregering viert, evenals een boek met de titel Gods Koninkrijk Regeert en zelfs een videoweergave over het ‘historische’ moment waarop C.T. Russell aankondigde dat de tijden der heidenen waren geëindigd. De aanzet voor deze elkaar vlug opvolgende uitgaven werd ongetwijfeld ondernomen om de 1914-leugen te versterken welke steevast in de hoofden van Jehovah’s Getuigen is geprent.

Door zulke vergeefse pogingen om een leugen te ondersteunen is het alsof de initiatiefnemers van het Wachttorengenootschap de muur die zijzelf hebben gebouwd continu blijven bepleisteren met extra laagjes witkalk. Ongeacht hun inspanningen zal zodra Jehovah zichzelf Koning maakt, en Zijn volk zal oordelen, de door het Wachttorengenootschap gebouwde witgekalkte profetische muur afbreken en stukslaan. Zoals Jesaja verklaarde: ‘waarvan de instorting plotseling, in een ogenblik, kan komen’ – wat wil zeggen dat de muur niet stukje bij beetje over een langere periode ontmanteld zal worden. Nee, zodra de echte Apocalyps begint zal de theocratische muur van het Wachttorengenootschap heftig ineenstorten.

Jehovah beveelt zijn ware profeet in feite om aan de ‘verstandeloze profeten’ van tevoren te vertellen dat hun witgekalkte muur gedoemd is om om te vallen. Ezechiël 13:11-16 zegt: ‘Zeg tot degenen die met witkalk pleisteren, dat hij zal vallen. Een overstromende stortregen zal stellig plaatsvinden en GIJ, o hagelstenen, zult vallen, en zelfs het geblaas van stormwinden zal [hem] doen splijten. En zie! de muur moet vallen. Zal niet tot ulieden worden gezegd: “Waar is de pleisterlaag waarmee GIJ gepleisterd hebt?” Daarom, dit heeft de Soevereine Heer Jehovah gezegd: “Ik wil ook een geblaas van stormwinden doen losbreken in mijn woede, en in mijn toorn zal er een overstromende stortregen plaatsvinden, en in woede zullen er hagelstenen zijn ter verdelging. En ik wil de muur die gijlieden met witkalk hebt bepleisterd, omverhalen en hem in aanraking brengen met de aarde, en zijn fundament moet blootgelegd worden. En ze zal stellig vallen en GIJ moet midden in haar UW einde vinden; en GIJ zult moeten weten dat ik Jehovah ben en ik wil mijn woede tot voltooiing brengen tegen de muur en tegen degenen die hem met witkalk bepleisteren, en ik zal tot ulieden zeggen: ‘De muur is niet meer en degenen die hem bepleisteren zijn niet meer, de profeten van I̱sraël die tot Jeru̱zalem profeteren en die voor haar een visioen van vrede schouwen, terwijl er geen vrede is,” is de uitspraak van de Soevereine Heer Jehovah.

(Notitie: tegelijk met de publicatie van de eerste editie van deze uitgave in 2005 is aan ieder lid van het Besturend Lichaam een kopie gestuurd, vergezeld van een open brief getiteld: ‘De Muur Moet Vallen.)

Dat de bovengenoemde profetie uit Ezechiël van toepassing is op de gemeente van Christus tijdens de ‘tweede keer dat hij zal verschijnen’ blijkt uit een parallelle profetie in het 28ste hoofdstuk van Jesaja. De significantie van Jesaja’s profetie is dat God precies dezelfde analogie gebruikt van een door storm gedreven, overstromende stortregen die de leugens en misleidingen zal wegspoelen die de pochende heersers aan Gods volk hebben opgelegd.

Jesaja 28:14-16 luidt: ‘Daarom, hoort het woord van Jehovah, GIJ snoevers, GIJ heersers van dit volk dat in Jeru̱zalem is: Omdat gijlieden hebt gezegd: “Wij hebben een verbond gesloten met de Dood, en met Sjeo̱o̱l hebben wij een visioen tot stand gebracht; de overstromende stortvloed, ingeval die doortrekt, zal ons niet bereiken, want wij hebben leugen tot onze toevlucht gemaakt en in bedrog hebben wij ons verborgen”, daarom heeft de Soevereine Heer Jehovah dit gezegd: “Ziet, ik leg als fundament in Si̱on een steen, een beproefde steen, de kostbare hoek van een vast fundament. Niemand die geloof oefent, zal in paniek geraken.”’

Als bewijs dat de profetie is nog niet is vervuld situeert Jesaja 28:16 de daadwerkelijke oprichting van het Koninkrijk van Christus met het samenvallen van de overstromende stortvloed van Jehovah’s veroordeling. Het is duidelijk dat de profetie onthult dat Jehovah de fundamentele steen in Sion legt – een duidelijke verwijzing naar het Koninkrijk van Christus – op hetzelfde moment dat ‘de overstromende stortvloed’ wordt ontketend. Degenen die denken dat zij een geldig verbond met de dood en met het graf hebben zijn degenen die enkel vertrouwen op hun positie binnen de organisatie. Tot hun grote schrik zal dit schijnbare toevluchtsoord worden weggevaagd door een overstromende hagelbui van vervolging.

Ware christenen, waarmee wordt bedoeld zij die Jehovah zullen kennen en vertrouwen, en geloof oefenen in Christus, zullen niet in paniek geraken tijdens de onrust die dan ontstaat. Hun geloof zal dan sterker zijn dan hun loyaliteit aan de Organisatie. Het is wellicht overbodig om te vermelden dat de werkelijke wederkomst van Christus, de 1914-doctrine van de Wachttoren ten aanzien van haar onzichtbare parousia-hersenschim, zal verbrijzelen, tezamen met de verwachtingen van hen die zich op dwaze wijze zullen vastklampen aan de Leugen wanneer zij als gevolg van Jehovah’s woede weggevaagd zullen worden.

Wanneer we terugkeren naar het 30ste hoofdstuk van Jesaja, zegt de profetie verder: ‘Door ommekeer en rust zult gijlieden worden gered. Uw kracht zal eenvoudig gelegen blijken te zijn in rustig blijven en in vertrouwen.’ Maar GIJ hebt niet gewild.’ Volgens de verklaring van Jehovah zullen zijn mensen niet van plan zijn om Hem te vertrouwen wanneer de beproeving komt. Ongetwijfeld zal de oorzaak hiervan zijn dat Jehovah’s Getuigen ertoe zijn bewogen om volledig te vertrouwen op het Wachttorengenootschap. Het tragische gevolg naar aanleiding van het niet volledig vertrouwen op God zal zijn dat ‘Duizend zullen er beven wegens de bestraffing van één; wegens de bestraffing van vijf zult GIJ vluchten, totdat GIJ zult zijn overgebleven als een mast op een bergtop en als een signaal op een heuvel.

Dit staat in het kader van Jehovah’s trotse volk, dat ineen zal krimpen ten overstaan van de tirannieke vijand waarover Jesaja 30:18 zegt: ‘En daarom zal Jehovah er vol verwachting naar blijven uitzien U gunst te betonen, en daarom zal hij opstaan om U barmhartigheid te betonen. Want Jehovah is een God des gerichts. Gelukkig zijn allen die hem blijven verwachten.

De pijnlijke les die alle mensen snel zullen moeten leren is dat Jehovah God de rechtmatige soevereine Koning van deze aarde is. De nachtmerrie die over deze wereld zal worden uitgestort zal zonder enige twijfel bewijzen dat de mensheid simpelweg niet de wijsheid bezit om zichzelf te regeren.

Uiteindelijk zullen Jehovah’s Getuigen te weten moeten komen wie Jehovah God is, op een manier die we tot nu toe niet hebben gekend.

In de nasleep van de ineenstorting van de organisatorische muur zullen de gelovigen die de strenge disciplinering van de Grootse Onderwijzer zullen opvolgen alle overblijfselen van het Genootschap verwerpen, alsof zij een weerzinwekkende afgod zijn. Het 22ste vers voorzegt: ‘En gijlieden moet het overtreksel van uw zilveren gehouwen beelden en de nauwsluitende bekleding van uw gouden gegoten beeld verontreinigen. Gij zult ze wegstrooien. Als een menstruerende vrouw zult gij ertegen zeggen: “Louter vuil!”’

Volgens de apostel Paulus is een verheven ding onder de mensen als een walgelijk ding voor Jehovah. Tijdens het oordeel zal Jehovah zijn eigen afschuw uiten, zodat Jehovah’s volk nooit meer zo dwaas zal zijn om wat voor zogenaamde aardse organisatie maar ook te verheffen tot een positie welke nu wordt ingenomen door het Wachttorengenootschap.

Jehovah’s gekastijde volk zal zijn organisatorische afgod verwerpen en alles wat eraan verbonden was afdanken alsof het zich van een walgelijk ding ontdoet.

In Jesaja 30:26 geeft Jehovah de omvang en de intensiteit aan van de waarheid die nog geopenbaard moet worden aan zijn volk door het te vergelijken met letterlijk licht. Er staat: ‘En het licht van de volle maan moet worden als het licht van de gloeiende [zon]; en ook het licht van de gloeiende [zon] zal zevenmaal sterker worden, als het licht van zeven dagen, op de dag dat Jehovah de breuk van zijn volk verbindt en zelfs de zware wonde die het gevolg is van de door hem toegebrachte slag geneest.

Wat zal de setting zijn gedurende de gelegenheid waarbij het geestelijk licht van Jehovah in zevenvoud zal toenemen? Het voorgaande vers in Jesaja geeft het antwoord: ‘op de dag van de grote slachting, wanneer de torens vallen.

De dag van de slachting wanneer de torens zullen vallen kan niet een insignificante gebeurtenis betreffen. Het moet betrekking hebben op de komende crash van het globale systeem, wanneer de grote stalen en glazen torens van Wall Street, Londen en alle verwante gebouwen in steden over de gehele wereld ineen zullen storten – in ieder geval figuurlijk gesproken. Er bestaat geen twijfel over dat bij de vele torens die bestemd zullen zijn om te vallen, die van het Wachttorengenootschap zelf ook meegerekend zal worden!