Broeder Russell … erkende dat het jaar 1914 het einde van de tijden der heidenen zou betekenen … Hij drong er bij anderen op aan om zijn geschreven teksten zorgvuldig te vergelijken met Gods geïnspireerde Woord, zodat ze overtuigd zouden zijn dat hetgeen ze leerden ook daadwerkelijk in volledige harmonie was met  Gods geïnspireerde Woord”.

– Jehovah’s Witnesses’ Kingdom Proclaimers

 

Wanhopige soldaat in de loopgraven tijdens de Eerste Wereldoorlog

Op 2 oktober 1914 liep de oprichter van het Wachttoren Bijbel- en Traktaatgenootschap, Charles Taze Russell, vol vertrouwen de eetzaal van Bethel binnen en deed de volgende aankondiging gericht aan het personeel van het hoofdkantoor: ‘De tijden der heidenen zijn geëindigd; hun koningen hebben hun langste tijd gehad.’ Wat een verstrekkende gevolgen heeft die gewaagde afkondiging gehad op de moderne beweging van Jehovah’s Getuigen! Sinds die aankondiging, meer dan 100 jaar geleden, heeft het geloof van Jehovah’s Getuigen zich voor een belangrijk deel gecentreerd rondom de stellige overtuiging dat Jezus Christus in 1914 in het hemelse Koninkrijk begon te regeren. De Wachttoren-organisatie heeft sindsdien deze afkondiging ondersteund – Jehovah zelf is koning geworden! (Commentaar van het Wachttorengenootschap op Jesaja, dat claimt dat Jehovah koning werd in 1914 en daarna nog een keer in 1919.)

Ongetwijfeld was 1914 een cruciaal strategisch keerpunt in de wereldgeschiedenis. Omdat de International Bible Students door middel van de chronologie al hadden geanticipeerd op de aankomende wereldschokkende gebeurtenissen welke zouden beginnen in 1914, leek het begin van de Eerste Wereldoorlog hun verwachtingen te bevestigen. Feitelijk was het zelfs zo dat veel van de Bijbel Studenten ervan overtuigd waren dat Armageddon toen ieder moment moest plaatsvinden. Maar was die datum, welke nu meer dan een eeuw achter ons ligt, zoals het Wachttorengenootschap ooit beweerde, werkelijk ‘de meest belangrijke datum voor alle menselijke schepselen’?

Deze vraag moet niet voortkomen uit een gebrek aan geloof in de heilige belofte van God. Integendeel, Jehovah’s Getuigen zouden de raad van de apostel op moeten volgen en ervoor moeten zorgen dat ze ‘zeker zijn van alle dingen’. Het moet ons uiterste verlangen zijn om dit te willen weten, althans zo duidelijk als menselijkerwijs kan worden vastgesteld, of Jehovah in 1914 daadwerkelijk koning werd, of dat deze gedenkwaardige gebeurtenis nog steeds in onze toekomst ligt. Laten wij in de geest van Charles Russells eigen aansporing eens – zorgvuldig – nagaan of de geschreven werken van het Wachttorengenootschap overeenkomen met Gods geïnspireerde Woord, om ervoor te zorgen dat ons begrip omtrent de tijden der heidenen wel volledig in harmonie staat met Gods Woord.

Welnu, wat zijn precies de tijden der heidenen, zoals deze zo vaak worden aangehaald? De exacte uitdrukking ‘de tijden der heidenen’ of ‘de bestemde tijden der natiën’, zoals de uitdrukking wordt omschreven in de Nieuwe-Wereldvertaling, is enkel terug te vinden op één plaats in de Heilige Schrift. In Lukas 21:24 zei Jezus het volgende: ‘Jeru̱zalem zal door de natiën worden vertreden totdat de bestemde tijden der natiën zijn vervuld.’

Bijbelstudenten hebben lang erkend dat de profetie van Jezus een veel grotere toepassing had dan alleen op de oude stad Jeruzalem, die bij meer dan slechts één gelegenheid werd verwoest door vernietigende indringers. Jeruzalem zou, volgens de profeten en apostelen, het Koninkrijk van God gaan vertegenwoordigen omdat het letterlijk de stad was waar het Davidse koninkrijk oorspronkelijk werd opgericht. En als de legitieme erfgenaam van de troon van David stelde Christus Jezus zichzelf ook aan de burgers voor als de Messiaanse koning van Jeruzalem toen hij zittend op een ezelsveulen de stad binnenreed. Jeruzalem werd dus beschouwd als de hoofdstad van Jehovah’s vorstelijke koninkrijk. Vanwege diezelfde reden wordt de stad Jeruzalem dus ook gebruikt in de profetie om zodoende verschillende aspecten van Gods hemelse koninkrijk te vertegenwoordigen.

Jehovah’s Getuigen hebben goed begrepen dat het huidige politieke systeem dat de aarde voor ongeveer 4000 jaar heeft gedomineerd op een gegeven moment vervangen zal worden door de heerschappij van Gods regering. In het kader van het aan de macht komen van het Koninkrijk der hemelen, wat uiteindelijk door Jezus werd voorzegd in het 21ste hoofdstuk van Lukas, wordt er met ‘de dagen der heidenen’ bedoeld de periode tussen wanneer de regering van Gods Koninkrijk door de natiën wordt verdrukt en het eindigen van diezelfde periode van heidense overheersing, het besluit van de periode voor de natiën waarin hun wordt toegestaan over de aarde te regeren.

Zoals alle Jehovah’s Getuigen weten heeft het Wachttorengenootschap de ‘zeven tijden’ in het vierde hoofdstuk van Daniël verbonden aan de zogenoemde ‘bestemde tijden der natiën’ waarover Christus sprak. Volgens het Wachttorengenootschap waren de bestemde tijden voor Jeruzalem om door de heidenen te worden vertrapt zelfs meer dan 600 honderd jaar ervoor begonnen, nog voordat Christus überhaupt deze profetie had geuit – terug in 607 v.Chr., toen de Babyloniërs Jeruzalem en het koninkrijk van Juda hadden vernietigd. Zedekia was de laatste koning uit de geslachtslijn van David die op de troon zou zitten, totdat de heerschappij van de Messias zou beginnen. Jehovah’s Getuigen geloven dat de bestemde tijden voor de natiën, om in plaats van Gods aangewezen koning te mogen regeren, 2520 jaar later zouden eindigen, in 1914. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, gevolgd door de gruwelijke Spaanse grieppandemie, samen met vele andere ontwikkelingen sindsdien, heeft gediend als sluitend bewijs voor Jehovah’s Getuigen dat het teken van de onzichtbare tegenwoordigheid van Christus zich in 1914 begon te openbaren.

Er bestaat een aantal redenen om de toepassing van de zeven tijden door het Wachttorengenootschap in twijfel te trekken, evenals de chronologie die wordt verbonden aan de zeven tijden ten aanzien van het jaar 607 v.Chr. Als we de discussie rondom de chronologie laten voor wat die is, dan zijn de opvolgende logische vragen die rijzen of het wereldse koninkrijk in 1914 daadwerkelijk plaats heeft gemaakt voor het Koninkrijk van Christus en waarom de natiën dan nog steeds totale heerschappij over de aarde uitoefenen. Wat is er eigenlijk veranderd sinds 1914? Het is duidelijk dat de politieke natiën van deze wereld nog steeds doen wat ze zelf willen, en dat er op dat vlak feitelijk niets is veranderd.

Natuurlijk geloven Jehovah’s Getuigen dat het einde van de tijden der heidenen slechts betekent dat de natiën zich niet langer zullen bemoeien met het werk van ware christenen, en dat zij anderzijds nog steeds de vrijheid hebben om de mensheid zoals voorheen te domineren. Echter wordt het probleem omtrent de lang gekoesterde overtuiging van Jehovah’s Getuigen, dat Gods heerschappij in 1914 werd opgericht pas duidelijk zodra we gaan redeneren op basis van de Schrift. Bijvoorbeeld, in het tweede hoofdstuk van Psalmen, dat betrekking heeft op de reactie van de natiën op Jehovah die zijn Messias de heerschappij over de hele wereld geeft. Psalm 2:1-2 zegt: ‘Waarom zijn de natiën in tumult geweest En zijn ook de nationale groepen over iets ijdels blijven mompelen? De koningen der aarde stellen zich op En de hoogwaardigheidsbekleders zelf hebben zich als één [blok] aaneengesloten Tegen Jehovah en tegen zijn gezalfde.’

De profetische tweede psalm is een van de vele profetieën die het Wachttorengenootschap verbindt aan 1914. Vermoedelijk werd de psalm vervuld toen de natiën in tumult werden gestort gedurende de Eerste Wereldoorlog, waarna zij werden gedwongen om zich te verenigen tegen Gods koninkrijk door gezamenlijk de Volkenbond op te richten. Er bestaan echter een aantal problemen ten aanzien van deze interpretatie.

De belangrijkste van deze interpretatieve problemen van het Wachttorengenootschap is dat de Psalm aangeeft dat wanneer de natiën proberen los te komen van de aan hen opgelegde beperkingen, Jehovah onmiddellijk met woede zal reageren. Psalm 2:4-6 zegt verder: ‘Ja, Hij die in de hemel zetelt, zal lachen; Jehovah zelf zal hen bespotten. In die tijd zal hij tot hen spreken in zijn toorn, En in zijn brandend misnoegen zal hij hen met ontsteltenis slaan, [Zeggend:] “Ik, ja ik, heb mijn koning geïnstalleerd Op Si̱on, mijn heilige berg.”’

Wanneer we dan verder redeneren over de toepassing van de psalm door het Wachttorengenootschap; indien Jehovah terug in 1914 zijn koning op de hemelse berg Sion zou hebben geïnstalleerd en de natiën sindsdien in weerwil van zijn heerschappij Jehovah al die tijd hebben uitgedaagd, hoe zouden we dan de woorden van de Psalm moeten interpreteren waar wordt aangegeven dat Jehovah hen ‘gedurende die tijd’ met ontsteltenis zal slaan? Volgens de formulering van de tweede Psalm zal Gods oordeel over de opstandige natiën min of meer onmiddellijk plaatsvinden. Toch is het nu al meer dan een eeuw geleden dat de heidenen werden verondersteld in tumult te zijn geworpen en zich ‘massaal verenigd te hebben als één macht’ met de intentie om Gods koninkrijk te vernietigen, en desondanks heeft Jehovah hen nog steeds niet geslagen met ontsteltenis ‘in al zijn misnoegen’.

Jesaja hoofdstuk 17 betreft een gerelateerde profetie die het tumult van de natiën beschrijft en hun commotie vergelijkt met het geluid van ‘onstuimige wateren’. In Jesaja lezen we: ‘Ha, het tumult van vele volken, die onstuimig zijn als met de onstuimigheid der zeeën! En het gebruis van nationale groepen, die een lawaai maken net als het gebruis van geweldige wateren! De nationale groepen zelf zullen een lawaai maken net als het gebruis van vele wateren. En Hij zal het stellig bestraffen, en het moet ver weg vlieden en worden opgejaagd als het kaf der bergen voor een wind uit en als een wervelwind van distels voor een stormwind uit. Ten tijde van de avond, ziedaar! plotselinge verschrikking. Vóór de morgen — het is er niet meer. Dit is het deel van hen die ons plunderen, en het lot dat degenen toebehoort die ons uitplunderen.’

In het 21ste hoofdstuk van Lukas, waarin Jezus in dezelfde context sprak over dat Jeruzalem onder de voet zou worden gelopen door de heidense natiën, vinden we nog een soortgelijke uitdrukking. Christus voorspelde dat er een radeloze angst zou plaatsvinden onder de natiën die vanwege het gebulder van de zee en haar onstuimigheid geen uitweg meer zouden weten.

Hoewel sommigen die beter zouden moeten weten op dwaze wijze hebben gesuggereerd dat het ‘gebulder van de zee’ te maken heeft met een letterlijke tsunami, maakt Jesaja in de profetie duidelijk dat de bulderende onstuimige zee slechts een symbolische term betreft die de ‘nationale groepen’ beschrijft; wat in andere woorden wil zeggen: de brullende, kolkende zee symboliseert een wereldbeschaving welke is verzwolgen door chaos en onrust. En net als in de tweede Psalm beeldt het 17de hoofdstuk van Jesaja eveneens uit dat Jehovah onmiddellijk de heidenen terecht zal wijzen nadat de natiën ‘onstuimig’, als in de ‘ochtend’ na de ‘avond’ van hun verschrikking, er niet meer zullen zijn.

Een ander ernstig bezwaar ten aanzien van de 1914-doctrine is dat de Volkenbond een relatief vruchteloze en ineffectieve organisatie was, die uiteindelijk ophield te bestaan. Behalve dat waren de Verenigde Staten niet eens een lid van deze Bond. Dus hoe kan dan worden beweerd dat hetgeen in de Schrift staat toen al werd vervuld ten aanzien van de koningen der aarde en alle nationale groepen die zich als één macht zouden verenigen? In werkelijkheid waren de natiën niet allemaal verenigd onder dezelfde paraplu van de Volkenbond, en deze machteloze Bond had nauwelijks het soort impact op de wereld dat men zou mogen verwachten van een politieke entiteit waarvan wordt verondersteld dat deze Jehovah zal uitdagen voor de wereldwijde suprematie en heerschappij. Hoe vaak zijn echter de natiën en hun leiders in werkelijkheid samengekomen om in totale oppositie tegen Jehovah’s koningschap op te treden? Redelijkerwijs zou het maar één keer voor kunnen komen dat er een massale bijeenkomst van alle koninkrijken der aarde kan plaatsvinden om een oorlog tegen God te gaan voeren. En volgens het 16de hoofdstuk van Openbaring zullen alle koningen van de aarde door demonische propaganda bijeen worden vergaderd om tegen God te gaan strijden op een plaats genaamd Har-Magedon.

Volgens de profetie uit het zevende hoofdstuk van Daniël zal hierna, wanneer God zijn troon aan de Zoon des mensen en de heiligen zal geven, slechts een korte extra tijd worden gegeven aan de periode dat het politieke systeem van het beest nog mag regeren, waarin gedurende deze tijd de heiligen ‘in zijn hand gegeven zullen worden voor een bestemde tijd, bestemde tijden en een halve’. De periode die cryptisch wordt omschreven als ‘een bestemde tijd, bestemde tijden en een halve’, kan worden gezien als de wisseling van de wacht. Daniël 12:7 verwijst naar dezelfde periode, waarin verder staat geschreven: ‘En zodra er een eind zal zijn gemaakt aan het verpletteren van de macht van het heilige volk, zullen al deze dingen een einde nemen.’

‘Al deze dingen’, waarnaar de profeet verwijst, heeft logischerwijs betrekking op het besluit van het menselijke samenstel der dingen en de volledige overdracht van de soevereiniteit in de handen van Christus Jezus en zijn mederegeerders. Dat is immers het thema van het boek Daniël. Maar als de heiligen, zoals het Wachttorengenootschap leert, zogenaamd werden verpletterd, terug in 1916-1919, gedurende een periode van vervolging in oorlogstijd, waarom zijn ‘al deze dingen’ dan nog niet tot een besluit gekomen?

Het achtste hoofdstuk van Daniël voorzegt evenzo hoe de heiligen te gronde gericht zullen worden en dat de heilige plaats met voeten getreden zal worden voor een periode van 2300 avonden en ochtenden, die de Wachttoren verbindt aan een periode tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dan rijst echter de vraag: als het symbolische Jeruzalem in 1914 zou ophouden te worden vertrapt door de natiën, waarom blijven de heidenen dan nog steeds de zonen van het Koninkrijk vertrappen voor een bestemde tijd nadat de tijd voor dergelijk vertrappen vermoedelijk geëindigd had moeten zijn?

Oudere man verward over de vraag of de tijden der heidenen eindigden in 1914Wat het Wachttorengenootschap heeft geproduceerd is werkelijk een tegenstrijdige en verwarrende lappendeken van profetieën die uitwijst dat de bestemde tijden waarin de natiën Gods Koninkrijk vertrapten in 1914 eindigden; de Wachttorendoctrine wijst echter vervolgens naar een bijkomende periode aan van drieënhalf jaar in de periode van de Eerste Wereldoorlog, toen de natiën Gods volk alweer lastigvielen en onder de voeten vertrapten. Maar dat is niet alles. Het Wachttorengenootschap heeft ook nog een andere profetie toegepast op een periode tijdens de Tweede Wereldoorlog, gedurende de tijd dat Jehovah’s Getuigen door de toenmalige politieke machten zogenaamd onder de voeten werden vertreden.

Door dit soort willekeurige interpretaties van profetieën heeft het Wachttorengenootschap de woorden van Christus met betrekking tot het einde van de tijden der heidenen min of meer betekenisloos gemaakt. Dat vanwege het feit dat indien de bestemde tijden der heidenen geëindigd zouden zijn in 1914, en het de natiën sindsdien jaar na jaar wordt toegestaan om door te gaan in de business-as-usual-modus, wij ook moeten concluderen dat het Koninkrijk van Christus een machteloze institutie moet zijn, of redelijker geformuleerd: dat het koninkrijk der aarde nog steeds niet is overgedragen aan Christus.

WAT ZIJN DE TIJDEN DER HEIDENEN?

Een zorgvuldige bestudering van de context van de profetie ten aanzien van Jeruzalem die zal worden vertreden totdat de bestemde tijden der natiën zijn geëindigd, onthult dat Jezus geen referentie of verwijzing maakte naar de verwoesting van Jeruzalem door de Babyloniërs, welke meer dan vijf eeuwen eerder had plaatsgevonden. De reden waarom de apostelen Jezus direct hadden gevraagd om een teken was omdat hun Heer hen eerder had verteld dat de tempel volledig zou moeten worden verwoest, opdat er niet één steen op de andere steen zou worden overgelaten. De verwoesting van de tempel van Salomo welke meer dan 500 jaar eerder plaatsvond was voor de apostelen niet van direct belang. Zij wilden weten wat er in de toekomst zou gaan gebeuren en niet wat er in het verleden was gebeurd. Dus Jezus profeteerde duidelijk over een toekomstige tijd wanneer de tempel en de heilige stad Jeruzalem verwoest zouden worden door de Romeinse legioenen.

Behalve dat lijkt het Wachttorengenootschap een zeer fundamentele waarheid over het hoofd te hebben gezien, namelijk dat Jeruzalem en de tempel werden herbouwd na de Babylonische verovering. Hoewel kan worden gesteld dat de Chaldeeuwse indringers Jeruzalem in het stof vertrapten, kwam Jehovah tussenbeide, waarop hij die situatie weer had omgekeerd.

Hoewel het waar is dat Jeruzalem gedurende lange tijd daarna onder het gezag bleef staan van een opeenvolging aan heidense koninkrijken, met inbegrip van Perzië, Griekenland en Rome in de tijd van Christus, liet God nadat Jeruzalem door koning Cyrus van Babylon omver werd geworpen zijn gelouterde vrouwelijke organisatie weer uit het stof opstaan en schonk Jehovah Jeruzalem zijn oude glorie weer terug – althans, volgens de profeten.

En hoewel de Joden in de tijd van Christus hun Romeinse bezetters vooral verachtten als gevolg van de vele belastingen en accijnzen die aan hen werden opgelegd, was het feitelijk ook zo dat de Joden een grote mate van autonomie kregen toebedeeld, voornamelijk op het gebied van aanbidding. Nog belangrijker was echter dat de aanbidding van Jehovah in Jeruzalem niet werd onderdrukt. Dat was ook de reden waarom het zo’n verontwaardiging opleverde toen het Romeinse ‘walgelijke ding’ een aanslag pleegde op de Joodse tempel in 66 n.Chr. ter vervulling van de profetie van Jezus.

Het is dus simpelweg uit den boze om zomaar te veronderstellen dat de apostelen van Jezus zouden hebben begrepen dat de natiën Jeruzalem zouden vertrappen vanaf de periode van Nebukadnezar.

Er is daarom ook geen rechtvaardiging in de Schrift te vinden voor de koppeling van de zeven tijden van Daniël aan ‘de bestemde tijden der natiën’ waarover Christus sprak. Echter bestaan er daarnaast ook geen aanwijzingen in de Schrift voor de stelling dat ‘de bestemde tijden der natiën’ waren begonnen toen de Romeinse keizerlijke legioenen de Joodse heilige plaats in het jaar 70 n.Chr. vertrapten.

Er blijkt duidelijk dat de profetie over de verwoesting van Jeruzalem een veel verdergaande toepassing had met betrekking tot een voorafschaduwing van een hedendaags walgelijk ding dat verwoesting zal brengen binnen een plaats welke heilig is voor God. Er kan juist worden geconcludeerd dat de bestemde tijden te maken hebben met de tussenperiode waarin God zal toestaan dat het symbolische Jeruzalem en zijn heilige plaats met voeten zullen worden getreden en zullen worden verlaten. Verder ligt het zeer voor de hand om aan te nemen dat de bestemde tijden der natiën nog steeds in de toekomst liggen.

In Matteüs 24:15-16 gaf Jezus aan dat de verwoesting en het vertreden van de heilige plaats in Jeruzalem ter vervulling dienen van de profetie van Daniël. Jezus verklaarde specifiek: ‘Wanneer GIJ daarom het walgelijke ding dat verwoesting veroorzaakt, waarover door bemiddeling van de profeet Da̱niël gesproken is, in een heilige plaats ziet staan (de lezer gebruike onderscheidingsvermogen), laten dan zij die in Jude̱a zijn, naar de bergen vluchten.

De kritische lezer van het boek Daniël dient zich bewust te zijn van het feit dat de profetie op verschillende plaatsen voorzegt dat de heiligen en ‘het Sieraadland’, samen met de heilige plaats, het heiligdom en het ‘voornaamste deel’ te gronde zijn gericht en zijn vertreden door de heidenen voor een bepaalde periode.

Jehovah’s Getuigen geloven dat het hedendaagse christendom de heilige plaats is om de eenvoudige reden dat het oude Jeruzalem ontrouw was aan God, wat de grondreden was waarom God besloot dat het moest worden vernietigd. Als dat echter het geval is, waarom zegt de overeenkomstige versie van de profetie van Christus in het boek van Markus dan dat het walgelijke ding zal ‘staan waar het niet behoort’? Als de heilige plaats in werkelijkheid de onheilige plaats van het christendom voorstelt en daarnaast tevens een groot aantal tegenstrijdige denominaties en sekten bevat, lijkt het erop dat het politieke walgelijke ding een welkom thuis gevonden zou moeten hebben, en zeker niet ‘staande waar het niet behoort’.

De heersende overtuiging binnen het Wachttorengenootschap als organisatie en Jehovah’s Getuigen als volgelingen van God is dat zij zich in de ogen van God in een goedgekeurde positie bevinden. Omdat Christus voorspelde dat de heilige plaats zal worden verwoest als gevolg van Gods handelen uit rechtvaardigheid, is het om die reden naïef om ervan uit te gaan dat de heilige plaats iets anders moet betekenen dan de geestelijke tempel bestaande uit Gods heiligen. Toch sprak Jezus een paar verzen verderop in diezelfde context over Jeruzalem dat het zou worden vertreden voor een bestemde tijd, wat het Wachttorengenootschap interpreteert als een voorstelling van Gods hemelse koninkrijk. Echter is deze opvatting, zeker van het Wachttorengenootschap, erg inconsistent, tegenstrijdig, en indicatief, en getuigt daarnaast van een onnatuurlijke interpretatie vanwege het feit dat zij twee verschillende interpretaties verbindt aan de woorden van Christus ten aanzien van hetgeen Jeruzalem en de heilige plaats symboliseren, vooral gezien het feit dat de verwoesting van de heilige plaats en de verwoesting van Jeruzalem en de bestemde tijden der natiën waarin Jeruzalem zal worden vertreden in context zijn en dus met elkaar in verband staan.

Belangrijker nog: Christus zelf erkende Jeruzalem als de heilige stad. Hij noemde Jeruzalem zelfs ‘de stad van de grote Koning’. Behalve dat reinigde Jezus Jehovah’s tempel bij twee verschillende gelegenheden, waarbij hij de tempel ‘het huis van mijn Vader’ noemde. Dus ondanks het feit dat de Joodse religie in die tijd verdorven was, bezag Jezus de tempel zelf niet als iets onheiligs. Waarom zou Jezus anders de moeite hebben gedaan om de handelaren en geldwisselaars uit de tempel te verdrijven?

Als een gelovige Jood betoonde Jezus eerbied voor Gods tempel. Het bedroefde hem ten diepste om wee te moeten uitspreken over Jeruzalem en zijn prachtige tempel. Dit bleek ook uit het feit dat Jezus, ter gelegenheid van zijn laatste reis naar de heilige stad, weende toen hij Jeruzalem in de verte kon zien. In het licht van de gevoelens en emoties van Jezus ten aanzien van Jeruzalem en zijn tempel is het niet waarschijnlijk dat hij enige verwijzing maakte naar een verband tussen de heilige plaats Jeruzalem als symbool van het onheilige huidige christendom.

Laat de lezer er ook rekening mee houden dat Jezus toen tijdens die gelegenheid weende over Jeruzalem, terwijl hij ook voorspelde dat ‘er dagen over u zullen komen waarin uw vijanden een versterking rondom u zullen bouwen met puntige palen en u zullen omsingelen en u van alle kanten zullen benauwen… omdat gij de tijd waarin gij werd geïnspecteerd, niet hebt onderscheiden’ (Lukas 19:43).

Welnu, na raadpleging van de Hebreeuwse profeten, waarop Jezus zijn eigen leringen en profetieën baseerde, begint het 29ste hoofdstuk van Jesaja met het uitspreken van geweeklaag over Gods dienaar Ariël. In vers 1 staat: ‘Wee A̱riël, A̱riël, de stad waar Da̱vid zich legerde!’ De stad waar David gelegerd was, betrof echter geen andere plaats dan de stad Jeruzalem, die David had veroverd op de Jebusieten om deze stad vervolgens de hoofdstad te maken van het Israëlitische koninkrijk. Dat is ook de reden waarom Jeruzalem ‘de Stad van David’ werd genoemd.

Vers 3 beschrijft verder: ‘En ik moet mij aan alle kanten tegen u legeren, en ik moet het beleg voor u slaan met een palissade, en belegeringswerken tegen u oprichten.’

omheining van in de grond geslagen palen ofwel een palissadeDe definitie van een palissade volgens het woordenboek is een ‘omheining van in de grond geslagen palen’. Niet toevallig was dit volgens Lukas 19:43 exact wat Jezus voorspelde dat de vijand in Jeruzalem zou gaan doen.

De vraag rijst dan: voorspelde Jesaja de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen? Nee, dit deed hij niet. Had dit gedeelte van de profetie van Jesaja dan betrekking op Nebukadnezars verwoesting van Jeruzalem? Nee, dat ook niet. De werkelijke reden hiervoor staat in de verzen 7 en 8 van de profetie waarin wordt verwezen naar de aanvallers als zijnde een veelheid van natiën. Gedeeltelijk valt in die verzen te lezen: ‘En het moet geschieden net als in een droom, in een nachtvisioen, met betrekking tot de menigte van alle natiën die oorlog voeren tegen A̱riël, ja, allen die oorlog voeren tegen haar… Zo zal het geschieden met de menigte van alle natiën die oorlog voeren tegen de berg Si̱on.’

Elders bevestigen de profeten dat een samenvoeging van alle natiën het geestelijke Jeruzalem zal plunderen. Bijvoorbeeld, Zacharia 14:2 zegt: ‘En ik zal stellig alle natiën tegen Jeru̱zalem ten oorlog vergaderen; en de stad zal werkelijk ingenomen worden…’ De significantie van de aanvullende profetie in Zacharia is dat de profetie werd gegeven nádat de Babyloniërs Jeruzalem hadden verwoest. De wreedheden welke tegen Gods volk zullen worden gepleegd tijdens die aanval op ‘Jeruzalem’ zijn de reden die Jehovah’s vreselijke toorn zal uitlokken, welke zal resulteren in de vernietiging van alle natiën op het symbolische slagveld van Armageddon. Jesaja 29:5-6 onthult dat Jehovah onmiddellijk zal reageren op de aanval op Ariël door de aanvallers te vernietigen door middel van een bovennatuurlijk leger.

Omdat Jezus bijna woord voor woord citeerde uit de profetie van Jesaja toen hij wee uitsprak over Jeruzalem, en omdat God het Romeinse Rijk en de keizerlijke legioenen niet als vergelding vernietigde vanwege het feit dat zij Jeruzalem en de Joodse tempel hadden vertreden, is het duidelijk dat beide profetieën verband houden met het christelijke Israël. Dat houdt in dat de heilige plaats die is voorbestemd om te worden verwoest tijdens de naderende wereldwijde grote verdrukking de aardse organisatie van Jehovah is en dus niet het christendom. Met die kennis kan nu dus precies worden begrepen wat de bestemde tijden der natiën werkelijk zijn.

Omdat ‘geen profetie der Schrift door enige eigen uitlegging ontstaat’, zoals de apostel Petrus omschreef, zal Gods eigen Woord zichzelf moeten interpreteren. Neem in acht dat in het boek Openbaring, dat meer dan twintig jaar later werd geschreven, nadat Jeruzalem door de Romeinen werd vertreden, Christus onthulde dat er inderdaad een vastgestelde tijd voor de heidenen zou zijn om Gods heilige plaats te vertreden. Deze vastgestelde tijd betreft tweeënveertig maanden. Openbaring 11:2-3 zegt: ‘Maar wat het voorhof buiten het tempel[heiligdom] betreft, werp dat volledig buiten en meet het niet, want het is aan de natiën gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang. En ik zal mijn twee getuigen in zakken gehuld doen profeteren gedurende duizend tweehonderd zestig dagen.’

Tweeënveertig maanden en 1260 dagen zijn het equivalent van drieënhalf jaar. De profetie in het zevende hoofdstuk van Daniël voorspelde evenzo een drieënhalf jaar durende periode waarin de zonen van het koninkrijk door het wilde beest zouden worden onderdrukt.

Vreemd genoeg leert het Wachttorengenootschap dat de periode van tweeënveertig maanden van onderdrukking onmiddellijk aanbrak nadat de bestemde tijden zogenaamd in 1914 waren geëindigd. Maar omdat de enige ware interpretatie van ‘de bestemde tijden der natiën’ wijst op een drieënhalf jaar lange periode en niet op de kunstmatig gekunstelde periode van 2520 jaar, bestaat er geen valide basis om tot een koppeling te kunnen komen ten aanzien van het einde van de tijden der heidenen aan het jaar 1914.

Tot slot: omdat het boek Openbaring het vertreden van de heilige stad beschrijft als iets wat onmiddellijk zal plaatsvinden voordat God ‘hen zal verderven die de aarde verderven’, is het ogenschijnlijk dat niet alleen de bestemde tijden der natiën nog niet tot een besluit zijn gekomen, maar ook dat ze daarnaast nog niet eens zijn begonnen!