“Wie is wijs, dat hij deze dingen begrijpt? Beleidvol, dat hij ze weet?”

-Hosea 14:9 –

 

wierrook en afgoderij voor gesneden beeldenHuwelijkse ontrouw is een maar al te veelvoorkomend sociaal probleem, zelfs onder Jehovah’s Getuigen. Overspel is het centrale onderwerp van talloze liefdesliederen die gaan over een verkeerde afloop. Datzelfde geldt ook voor talloze films en boeken die vallen binnen de categorie ‘romans’ en ‘drama’. Behalve het daadwerkelijke overlijden van een geliefde is er waarschijnlijk niets wat emotioneel zo verwoestend kan zijn voor een eventuele onschuldige partner en/of betrokken familie als huwelijksontrouw en het onderliggende verraad. Er zou kunnen worden verondersteld dat het verschijnsel dat wordt omschreven als het breken van het hart in verband met de ontrouw van een echtgenoot zich beperkt tot louter een menselijke ervaring. Echter, door middel van de profeet Hosea wordt duidelijk dat God zijn eigen innerlijke gevoelens relateert aan die van de mens, en omschrijft deze in menselijke termen die ons maar al te bekend in de oren klinken. Dit geeft ons mensen de mogelijkheid om waardering aan den dag te leggen voor het feit dat Jehovah zich ook zeer bewust is van de pijn die een gebroken hart teweeg kan brengen, welke wordt veroorzaakt door de ontrouw die gepleegd wordt door iemand die hij ten zeerste liefheeft.

Maar wie zou het hart van Jehovah hebben kunnen breken? En op welke wijze is God dan van plan om deze bedroevende situatie te verhelpen? En bestaat er überhaupt een vorm van verzoening waarmee deze vorm van vervreemding zou kunnen worden opgelost? En op welke wijze bent u zelf betrokken in deze buitengewone kwestie met betrekking tot de term ‘ontrouw’? Op deze vragen zal in dit hoofdstuk dieper worden ingegaan. Daarnaast zal blijken dat we in het boek Hosea de antwoorden kunnen vinden op deze vragen.

Het Wachttorengenootschap schonk aandacht aan het boek Hosea tijdens een symposium op het Districtscongres van Jehovah’s Getuigen in 2004, met als thema ‘Wandel met God’, waarvan de onderwerpen aan bod kwamen in de uitgave van de Wachttoren van 15 november 2005. Ondanks het feit dat het Genootschap waardevolle historische inzichten heeft verstrekt, lag het helaas ook in de lijn der verwachting dat de door het Genootschap gegeven uiteenzetting rondom de profetische significantie ten aanzien van Hosea jammer genoeg op een verdraaide wijze werd weergegeven, en er uiteindelijk toe heeft bijgedragen dat de essentiële boodschap die de profetie bevat verborgen blijft. Jehovah heeft dus een heel goede reden om de retorische vraag voor te leggen die staat geschreven in het allerlaatste vers van het boek Hosea: ‘Wie is wijs, dat hij deze dingen begrijpt? Beleidvol, dat hij ze weet?

In het openingsvers van Hosea beveelt Jehovah zijn profeet het volgende door te zeggen: ‘Ga, neem u een vrouw van hoererij en kinderen van hoererij, want door hoererij keert het land zich er beslist van af Jehovah te volgen.’

Jehovah’s intieme geestelijke verhouding met zijn volk bevat dezelfde dynamiek aan emoties als die van een menselijk huwelijk. Door zijn eigen door een verbond bekrachtigde relatie met zijn organisatie van aanbidders te vergelijken met die van een getrouwde man en vrouw die tevens een heilig verbond met elkaar zijn aangegaan door middel van het huwelijk, kunnen mensen beter in staat worden gesteld om de verbolgenheid te kunnen begrijpen die God ervaart wanneer zijn volk ontrouw jegens hem is. Door de natie van Israël te vergelijken met een bedriegende vrouw en door zichzelf te vergelijken met een aangeslagen minnaar van wie het hart is gebroken, presenteert de profetie van Hosea een maar al te vertrouwd beeld.

Zoals al eerder werd aangetoond in de uiteenzetting van de profetie van Micha, blijkt dat enkel en alleen God bevoegd is om te kunnen beoordelen of zijn volk hem daadwerkelijk met zijn hele hart eert en liefheeft. Iedere mogelijke vorm van menselijke opinie heeft verder geen invloed op Gods oordeel. Omdat Jehovah een jaloerse God is die exclusieve toewijding vereist, en deze ook terecht verdient, verwerpt hij halfhartige toewijding en gedeeltelijke genegenheid van zijn aanbidders. Jehovah betoont zijn liefde voor de ‘zonen van Israël’, maar het zijn zij die, zoals een overspelende vrouw, op bedrieglijke wijze ontrouw zijn jegens hem door andere goden te aanbidden. Daarom zegt Jehovah ook het volgende: ‘Verheug u niet, o I̱sraël. Handel niet blij gelijk de volken. Want door hoererij hebt gij de zijde van uw God verlaten’ (Hosea 9:1).

Hoewel Jehovah’s Getuigen zich er zeer goed van bewust zijn dat God door middel van de profeten de natie Israël op een onflatteuze wijze vergelijkt met een overspelende vrouw, wegens het feit dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan het beoefenen van verschillende vormen van afgoderij, en doordat zij hun vertrouwen richtten op hun allianties met de hun omringende landen in plaats van op Jehovah te vertrouwen. Echter blijkt iedere keer weer dat het Wachttorengenootschap dergelijke vergelijkingen toepast op het hedendaagse christendom. Maar is dat werkelijk de juiste manier waarop de profetie begrepen dient te worden? Indien dat het geval zou zijn geweest, waarom belijdt Jehovah dan herhaaldelijk zijn liefde jegens zijn natie, waarbij hij consequent naar hen verwijst als ‘mijn volk’, waarbij hij hen zelfs aanmoedigt om naar hem terug te keren?

Bij nadere bestudering, zoals hier wordt uiteengezet, wordt de profetie van Hosea onbetwistbaar gericht aan de authentieke christelijke gemeente. Als dat immers niet het geval zou zijn geweest, hoe kan het dan dat de apostel Paulus gedeeltelijk het volgende vers uit het eerste hoofdstuk van Hosea citeert en dit toepast op de gezalfde gemeente van Israël? ‘En het getal van de zonen van I̱sraël moet worden als de zandkorrels der zee, die niet gemeten noch geteld kunnen worden. En het moet geschieden dat op de plaats waar tot hen gezegd placht te worden: “GIJ zijt mijn volk niet”, tot hen gezegd zal worden: “De zonen van de levende God.”’

Maar hoe zou het dan mogelijk kunnen zijn dat de zonen Gods degenen zijn geweest die uiteindelijk het hart van Jehovah hebben gebroken vanwege hun daden van ontrouw? Inderdaad: hoe zou de praktiserende vorm van aanbidding die vandaag de dag door Jehovah’s Getuigen wordt beoefend kunnen worden vergeleken met de ruwe vorm van afgoderij en het baälisme die de Israëlieten hadden aangenomen?

Er moet worden erkend dat afgoderij vele vormen kent. Bijvoorbeeld, nadat de apostel Johannes zijn ontzagwekkende visioen had ontvangen ten aanzien van de apocalyps, beging de apostel bijna een vorm van afgoderij toen hij tot tweemaal toe probeerde om zich voor een engel ter aarde te werpen.

En afgoderij kan zelfs in nog subtielere vormen voorkomen dan het geval omtrent Johannes. Laten we ten eerste eens nader ingaan op de werkelijke definitie van het begrip ‘afgoderij’, zoals wordt beschreven in het boek Inzicht in de Schrift onder het kopje ‘Afgod, afgoderij’:

‘Een afgod is een beeld of een afbeelding of voorstelling van iets, of een symbool dat een voorwerp van hartstochtelijke verering is en hetzij werkelijk of slechts in de verbeelding bestaat. Over het algemeen gesproken is afgoderij het vereren, liefhebben, aanbidden of adoreren van een afgod. Afgoderij wordt gewoonlijk beoefend jegens een werkelijke of vermeende hogere macht, of men nu gelooft dat zo’n macht bezield is (zoals een mens, een dier of een organisatie) of onbezield (zoals een natuurkracht of een levenloos voorwerp in de natuur). Afgoderij gaat over het algemeen met enkele gebruiken, ceremoniën of riten gepaard.’

Volgens de beschrijving van het Wachttorengenootschap valt het verheffen van een organisatie tot een ‘voorwerp van hartstochtelijke verering’ onder afgoderij. Zou dit ook kunnen gelden ten aanzien van de organisatie die vandaag de dag ook wel bekendstaat als ‘Jehovah’s zichtbare organisatie’?

Er valt op geen enkele wijze te ontkennen dat het Wachttorengenootschap instrumenteel is geweest in het verlichten van Jehovah’s Getuigen ten aanzien van lang verborgen vitale Bijbelse waarheden ten aanzien van de aard van God en zijn universele doelstelling. Echter, terwijl zij dit deden, hebben zij er ook onbetwistbaar aan bijgedragen dat de organisatie in het hart en in de geest van Jehovah’s Getuigen een buitengewoon belangrijke plaats heeft ingenomen. Op vele verschillende manieren blijkt dat Jehovah’s Getuigen het eenvoudigweg ‘op prijs stellen van de Wachttoren-organisatie’ hebben weten te overtreffen, waarbij het zelfs zo zou kunnen zijn dat vanuit het perspectief van God de wijze waarop in overdreven mate eerbied en hulde aan de organisatie wordt gegeven ten koste gaat van de verering die aan Jehovah zou moeten worden gegeven.

Natuurlijk betekent afgoderij niet noodzakelijkerwijs dat de afgodendienaar God niet langer meer aanbidt. Het betekent slechts dat de mate van eerbetoon en genegenheid die de Schepper toekomt op enigerlei wijze wordt omgeleid naar iets of iemand anders. Maar aangezien Jehovah een jaloerse God is, zal hij onmogelijk zijn toestemming geven om zijn verering ook maar een beetje met iets of iemand anders te delen. Indien het zo zou zijn dat de organisatie geen afgod is geworden, hoe komt het dan dat er in alle publicaties die het Wachttorengenootschap gedurende zijn hele bestaan heeft voortgebracht het nooit, maar dan ook echt geen enkele keer, Jehovah’s Getuigen ervoor heeft gewaarschuwd dat zij niet op overmatige wijze de belangrijkheid van de Wachttoren-organisatie tentoonspreiden?

Zich bewust zijnde van het feit dat vanaf het begin van de menselijke geschiedenis iedere keer weer is gebleken dat de mens de diepgewortelde neiging vertoont om zich met afgoderij te bezigen, is het dan niet de plechtige verantwoordelijkheid van het Wachttorengenootschap om er alles aan te doen wat binnen zijn mogelijkheden ligt om ervoor te zorgen dat het zelfs niet per ongeluk zou kunnen gebeuren dat het de ontvanger is van de verering welke rechtmatig aan God toebehoort – net zoals dat de engel weigerde om de verering van Johannes te ontvangen?

Tijdens meerdere gelegenheden hebben de apostelen op geweldige wijze verhinderd dat de mensen hun goddelijke eerbetoon aan hen richtten.

Waarom heeft het Wachttorengenootschap niet op een vergelijkbare wijze geprobeerd om Jehovah’s Getuigen te ontmoedigen om bovenmatige eer te betonen jegens de organisatie? Vanzelfsprekend mag worden aangenomen dat The Watchtower & Tract Society niet grootser is dan de engel die de apostel Johannes waarschuwde om hem niet te vereren, of wel soms? Hoe zou het dan mogelijk kunnen zijn dat het Wachttorengenootschap nog nooit eenzelfde soort nederigheid ten aanzien van God heeft getoond? Als de organisatie niet tot een afgod is geworden, hoe kan het dan zijn dat het Wachttorengenootschap nog nooit een onjuiste handeling of een ernstige fout aan zijn zijde openlijk heeft erkend? Komt dit doordat het Wachttorengenootschap niets fout kan doen? Of komt het doordat zijn leiderschap het niet wenst om in de ogen van Jehovah’s Getuigen enige smet te werpen op het glorieuze imago van de organisatie? Zou het echter zo kunnen zijn dat indien de aura van heiligheid rondom de organisatie op zo’n jaloerse wijze beschermd en gehandhaafd dient te worden, dit in geen enkel opzicht riekt naar afgoderij?

‘HET AFGODSKALF VAN BETH-AVEN’

Nadat Jehovah het koninkrijk van Israël had verdeeld in het noordelijke 10-stammenkoninkrijk van Efraïm (Israël) en het zuidelijke koninkrijk van Juda, had koning Jerobeam van het noordelijke koninkrijk in Bethel en Gilgal twee gouden kalveren laten oprichten om te verhinderen dat de Israëlieten zich in hun aanbidding zouden herenigen in Jeruzalem. De oprichting van deze afgodsbeelden diende slechts voor hun eigen gemak, zodat de Israëlitische aanbidders niet helemaal naar de tempel in Jeruzalem zouden hoeven te reizen om Jehovah te aanbidden. Vanwege de reden dat Bethel tot een centrum was geworden van valse aanbidding heeft Jehovah de stad op toepasselijke wijze een nieuwe naam gegeven: Beth-Aven, wat betekent ‘huis van wat schadelijk is’. Zo schrijft Hosea 10:5: ‘Om het afgodskalf van Beth-A̱ven zullen de inwoners van Sama̱ria bevreesd worden; want daarover zal zijn volk stellig treuren, evenals zijn priesters van buitenlandse goden, die er blij om plachten te zijn wegens zijn heerlijkheid, want die zal van hem weg in ballingschap zijn gegaan.

Het wereldwijde hoofdkwartier van het Wachttorengenootschap wordt ook wel Bethel genoemd, wat betekent ‘huis van God’. En hoewel Jehovah’s Getuigen hier op krachtige wijze tegen zouden kunnen protesteren, zou Brooklyn Bethel in Gods ogen kunnen worden vergeleken met een hedendaags Beth-Aven. Door de jaren heen is, als de zogenoemde hub van Jehovah’s ‘zichtbare organisatie’, het Wachttorengenootschap geleidelijk aan getransformeerd in een geraffineerde versie van een ruw afgodskalfidool. Alhoewel er geen sprake is van een openlijke daad van aanbidding welke door Jehova’s Getuigen wordt verricht richting een soort fysiek aanhangsel van de Wachttoren-organisatie, blijkt toch niettemin dat, net zoals bij het afgodskalf van Beth-Aven, de Wachttoren-organisatie op gelijkende wijze een gemakkelijke vorm van verering bevordert, net zoals het promoten van een vorm van loyaliteit jegens de organisatie die neigt naar adoratie en verering.

Overweeg eens een aantal feiten met betrekking tot de ongerechtvaardigde ereplaats die de organisatie vandaag de dag inneemt in de gedachten en in de harten van Jehovah’s Getuigen. Vanaf de periode van haar oorsprong, in de tijd dat er nog Bijbelstudies werden gegeven in de nederige besloten omgeving van diverse woonkamers, en toen men nog samenkwam in afgehuurde kleine zaaltjes, is The Watchtower Bible & Tract Society vandaag de dag uitgegroeid tot een zeer succesvolle internationale corporatie. Zij wordt erkend in haar hoedanigheid als een van de grootste uitgeverijen ter wereld –de grootste uitgever van religieuze literatuur. Gedurende de recente periode waarin zij in korte tijd een enorme expansie heeft doorgemaakt, werd de Wachttoren-organisatie ook beschouwd als een van de grootste bouwbedrijven ter wereld. De organisatie werd zelfs vermeld op de 37ste plek op de toplijst van de meest winstgevende corporaties in New York City, waar de Wachttoren-organisatie in 2001 bijna 1 miljard dollar bij elkaar harkte! Dat is nogal wat, gezien het feit dat New York City de thuisbasis is van veel van de rijkste bedrijven ter wereld.

Er bestaat geen enkele twijfel over dat het Wachttorengenootschap beschikt over een enorm kapitaal aan vastgoed. Dit feit kwam duidelijk aan het licht dankzij hun verwachte financiële meevaller in de vorm van een miljard dollar als gevolg van de verkoop van Brooklyn Bethel.

Diverse documenten die wijd worden verspreid over het internet tonen aan dat het Wachttorengenootschap zelfs een meerderheidsbelang heeft in de Rand Cam Corporation, een bedrijf dat veel geld verdient dankzij militaire defensiecontracten. Het Wachttorengenootschap sponsort zelfs een autoleaseprogramma om winst te kunnen genereren en om exclusieve luxeauto’s, welke eerder werden gebruikt door circuit- en districtsopzieners, op de markt te kunnen dumpen. Watchtower Inc. geniet met volle teugen van hetzelfde prestige dat verwacht mag worden van een succesvolle welvarende wereldse onderneming.

Behalve de voorgenoemde feiten lijkt het er ook op dat Bethel de ambitie heeft om zijn rijkdommen nog meer te willen vergroten door mee te spelen met de grote jongens uit de hedgefundwereld – wat aantoonbaar wordt bewezen doordat de Watchtower Society op de lijst (2011-2012) van deelnemers wordt vermeld van de jaarlijkse conferentie die wordt georganiseerd door Hedge Fund Intelligence. Er moet tevens worden opgemerkt dat de basisstrategie ten aanzien van hedgefunds inhoudt dat men gebruikmaakt van geleend geld om de inzet van een betreffende speler te verhogen. Meer dan waarschijnlijk blijkt dat het Wachttorengenootschap bezig is om een spel te leren spelen waar enorme risico’s aan kleven.

De attitude van Efraïm, welke staat beschreven in Hosea 12:8, lijkt vandaag de dag te weerklinken ten aanzien van Bethel, en het lijkt er sterk op dat dit scenario zich aan het herhalen is: ‘En E̱fraïm blijft zeggen: “Inderdaad, ik ben rijk geworden; ik heb waardevolle dingen voor mij gevonden. Wat al mijn moeizame arbeid betreft, zij zullen, van mijn kant, geen dwaling vinden die zonde is.”’

Hoewel het Genootschap in de afgelopen jaren is begonnen met downsizen, blijkt dat sinds 2016 de fysieke faciliteiten wereldwijd ongeveer 89 bijkantoren en talloze drukkerijen omvatten, evenals tientallen grote kringvergaderzalen en tienduizenden reguliere koninkrijkszalen. Maar in het bijzonder gaat het hier om het hoofdkantoor van de Watchtower Bible & Tract Society in Brooklyn Bethel, of de met pracht en praal uitgedoste Stanley Assembly Hall, het Patterson-complex en Wallkill, welke zijn geworden tot heilige heiligdommen en die het spreekwoordelijke mekka vormen voor al die gelovigen die elke dag weer in grote groepen deze plaatsen bezoeken als een soort van offer- of pelgrimstocht – in de volksmond ook wel bekend als de ‘Bethel Tours’. Er bestaan zelfs commerciële wereldse bedrijven die exclusief Bethel-tours promoten.

Hoe waar blijken dan ook Jehovah’s woorden in Hosea 10:1, waar staat geschreven: ‘Naar- gelang van de overvloed van zijn vrucht heeft hij zijn altaren vermenigvuldigd. Naar gelang van de goedheid van zijn land richtten zij goede zuilen op.

Het Besturend Lichaam en de overige bestuurders van het Wachttorengenootschap leven behoorlijk comfortabel. Zij ontvangen vaak genereuze geschenken, waar zij ook naartoe reizen, en er wordt in al hun levensbehoeften voorzien. De oudere mannen van Bethel worden met de hoogste eerbied behandeld en worden door Jehovah’s Getuigen beschouwd als vorsten en koningen. Inderdaad, door middel van Hosea wijst Jehovah erop dat hij dezelfde constatering doet ten aanzien van zijn eigen volk en zegt: ‘Zijzelf hebben koningen aangesteld, maar niet vanwege mij. Zij hebben vorsten aangesteld, maar ik wist het niet. Met hun zilver en hun goud hebben zij zich afgoden gemaakt…’ (Hosea 8:4).

Als voorbeeld van hoe het moderne ‘Beth-Aven’ de aanbidding voor Jehovah’s Getuigen gemakzuchtig heeft gemaakt, dienen we de volgende opmerkingen nader te beschouwen die het Wachttorengenootschap publiceerde in de uitgave van het tijdschrift de Wachttoren van 1 januari 1967, met betrekking tot het artikel genaamd ‘Beweeg u voorwaarts samen met Jehovah’s Organisatie’. In de 12de paragraaf wordt het volgende geschreven:

‘We zouden misschien kunnen denken dat studie gelijkstaat aan heel hard werken, met betrekking tot de uitvoering van een diepgaand onderzoek. Maar in Jehovah’s organisatie is het echter niet nodig om veel tijd en energie te besteden aan onderzoekswerk, omdat er binnen de organisatie broeders zijn aangewezen die de taak hebben gekregen om dit werk voor u uit handen te nemen omdat wij niet van u mogen verwachten dat u beschikt over zeeën van tijd om dit onderzoek zelf te kunnen doen. Deze broeders dragen de verantwoordelijkheid voor de voorbereiding van al het goede materiaal in de Wachttoren en alle overige publicaties vanuit het Genootschap. Maar studeert u dan wel voldoende? Neemt u deze suggestie van harte aan: vaak blijkt dat de beste studie, die u het meeste baat verschaft, de studie is die u doet door middel van het lezen van de nieuwste Wachttoren of Ontwaakt!, of een van de andere nieuwe publicaties waarvan u met vreugde kunt genieten, zodat u beschikt over een frisse kijk op de nieuwste inzichten ten aanzien van de waarheid.’

Het bestuderen van Gods Woord maakt deel uit van onze aanbidding. Maar in plaats van dat wij de benodigde tijd voor onszelf afkopen, zoals de apostel de christenen aanspoorde, en door gebruik te maken van ons eigen door God geschonken geestelijke redeneringsvermogen om daarmee de diepere kennis uit Gods Woord te onderzoeken, erkent het Wachttorengenootschap zonder enige vorm van schaamte dat het zelf al het nodige onderzoek voor ons heeft gedaan, zodat we de Bijbel niet individueel persoonlijk hoeven te onderzoeken.

Op geleidelijke en subtiele wijze heeft het Wachttorengenootschap de autoriteit van de Bijbel in de gedachten en in de harten van Jehovah’s Getuigen vervangen, zoals duidelijk blijkt uit het feit dat vele Getuigen in de veronderstelling verkeren dat het enige wat zij moeten doen om Jehovah’s goedkeuring te verkrijgen het bestuderen van de Wachttoren, Ontwaakt! en eventuele overige publicaties is. Net zoals de Joodse Talmoed geleidelijk aan meer autoriteit kreeg dan de Schrift zelf, zo wordt er door Jehovah’s Getuigen ook vaak gesteld dat de publicaties van het Wachttorengenootschap vergelijkbaar zijn met de Heilige Schrift en een uiting zijn van ultieme autoriteit.

Dat het Wachttorengenootschap meer autoriteit heeft over Jehovah’s Getuigen dan de Bijbel zelf wordt snel zichtbaar zodra er tussen beide een contradictie ontstaat. Omdat het Wachttorengenootschap claimt dat het beschikt over de exclusieve bevoegdheid om voor Jehovah’s Getuigen de Bijbel te interpreteren, kan elke afzonderlijke Jehovah’s Getuige die bepaalde evidente fouten ten aanzien van de leerstellingen van het Wachttorengenootschap aanwijst worden gedwongen om zijn of haar woorden terug te nemen, of om er verder over te zwijgen, of er kan jegens hen worden gedreigd met uitsluiting uit de gemeente. Hieruit blijkt dus dat op deze effectieve wijze Jehovah en zijn Bijbel naar de achtergrond worden verbannen, terwijl tegelijkertijd de zogenoemde ‘slaaf’ – het Wachttorengenootschap – wordt verheven tot de meest prominente plaats van aanbidding. Ook in dit verband blijkt dat het afgodskalf van Beth-Aven bedoeld was om het verkrijgen van kennis over God gemakkelijker te maken: ‘Bij hun houten afgod blijft mijn eigen volk navraag doen en hun eigen staf blijft hen inlichten…’ (Hosea 4:12a).

In het eerder geciteerde boekdeel uit Inzicht in de Schrift staat geschreven: ‘Afgoderij gaat over het algemeen met enkele gebruiken, ceremoniën of riten gepaard.’ Geldt dit ook ten aanzien van de aanbidding door Jehovah’s Getuigen?

Onbetwistbaar kan worden vastgesteld dat hetgeen wat bekendstaat als de ‘theocratische dienst’ tot een louter ritueel is geworden. Neem ter onderbouwing van deze stelling bijvoorbeeld eens de wekelijkse Wachttorenstudie. Gedurende meer dan een halve eeuw voeren Jehovah’s Getuigen op wekelijkse basis een zeer houterig en choreografisch ritueel op met betrekking tot de bespreking van een vooraf ​​geselecteerd artikel. Bethel is in werkelijkheid trots op het feit dat van alle gemeenten over de hele wereld wordt verwacht dat zij gelijktijdig hetzelfde materiaal bestuderen – in het teken van organisatorische uniformiteit. Als onderdeel van het ritueel wordt van iedereen verwacht dat hij het materiaal eerst ‘bestudeert’ voordat hij naar de vergadering komt. De meeste Jehovah’s Getuigen onderstrepen meestal met een felgekleurde markerstift netjes vooraf alle antwoorden. Tijdens de vergadering worden de paragrafen meestal per één of per twee gelijktijdig voorgelezen en worden vervolgens de vooraf opgestelde vragen gesteld. Er wordt van de toehoorders verwacht dat zij kort en bondig antwoord geven op de vragen uit de informatie van de betreffende paragraaf. Andere vergaderingen volgen een vergelijkbaar format. Het klopt dat de Schrift wordt besproken en dat er uit de Bijbel wordt gelezen, maar enkel en alleen als onderdeel van de Wachttorenstudie. Over het algemeen ligt echter de focus vooral op de Wachttoren – niet op de Bijbel.

Met zekerheid kan worden gesteld dat de vroege christelijke gemeenten niet gebukt gingen onder een geestelijk verstikkende vaste formule voor aanbidding van hetzelfde soort die het Wachttorengenootschap aan Jehova’s Getuigen heeft opgelegd. De enige raad die Paulus aan de Korinthische gemeente gaf ten aanzien van hun vergaderingen was dat ze niet allemaal tegelijkertijd moesten spreken en dat er tolken aanwezig dienden te zijn voor het geval er iemand aanwezig was die ‘in talen’ sprak. Destijds functioneerde iedere afzonderlijke gemeente voornamelijk autonoom, ondanks het feit dat Christus aan het hoofd stond van iedere afzonderlijke gemeente. Er bestaat geen Schriftelijke basis die voorschrijft dat de ‘theocratische dienst’ op een dergelijk starre en gescripte wijze dient te worden gehouden, zoals wordt opgelegd tijdens de vergaderingen van Jehovah’s Getuigen. Noch is er sprake van enig soort van precedent dat door de vroege christenen werd ingesteld ten aanzien van christenen die deelnamen aan de uitvoering van grote tempelbouwprojecten, zoals Jehovah’s Getuigen hebben gedaan voor het bouwen van reusachtige vergaderzalen en bijkantoren. Kan er ten aanzien van het geestelijke Israël in dit opzicht ook niet het volgende worden gezegd: ‘En I̱sraël ging zijn Maker vergeten en tempels bouwen; en Ju̱da, van zijn kant, vermenigvuldigde versterkte steden’ (Hosea 8:14).

Maar kan er werkelijk worden gezegd dat Jehovah’s Getuigen het Wachttorengenootschap dienen? Aan de hand van het eerder aangehaalde Wachttoren-artikel over het voorwaarts bewegen samen met Jehovah’s organisatie, is het antwoord hierop nee. De negende paragraaf luidt:

‘Dus voorwaarts gaan betreft niet iets wat koud en vooringecalculeerd is. Het is dus zaak om dichter tot Jehovah te komen, gehoorzaamheid te perfectioneren en de geest van Jehovah te zoeken en deze ook werkelijk te ontvangen. Wij zijn toegewijd aan hem en niet aan de organisatie.’

Echter was dit specifieke artikel in 1967 geschreven. Is er sindsdien iets veranderd? Jazeker, er is sindsdien iets grondig veranderd, althans ten aanzien van de relatie die recentelijk opgedragen Jehovah’s Getuigen met de Wachttoren-organisatie hebben. In 1985 veranderde de Wachttoren-organisatie de doopgelofte die moet worden afgelegd door de volgende zin eraan toe te voegen: ‘Begrijp je dat jouw toewijding en de daaropvolgende doop jou identificeren als een van Jehovah’s Getuigen die wordt geassocieerd met Gods door de geest geleide organisatie?’

Vóór het jaar 1985 werd aan alle nieuw gedoopte Getuigen simpelweg gevraagd of zij berouw hadden van hun zonden en of zij Christus hadden aanvaard als hun loskoper, en of zij zich vanaf dat moment met geheel hun hart volledig zouden toewijden aan het doen van Jehovah’s wil. Echter heeft vanaf 1985 het Wachttorengenootschap zichzelf op verraderlijke wijze tot een onderdeel gemaakt van deze plechtige gelofte die alle doopkandidaten tegenwoordig publiekelijk moeten afleggen!

Wat geeft de Wachttoren-organisatie het recht om zichzelf een plaats toe te eigenen binnen de gelofte welke volgens de Schrift exclusief is gereserveerd voor Jehovah, Jezus Christus en de heilige geest? Is het vanuit hemels standpunt zo’n triviale zaak dat de mensen die het verlangen hebben om zich aan Jehovah en Jezus op te dragen, daarnaast ook verplicht zijn om in een publiekelijke plechtige gelofte te verklaren dat zij daarnaast ook aan de Wachttoren-organisatie toebehoren? Lezers mogen zelf beslissen wat het antwoord op deze vraag moet zijn. Maar laat in ieder geval gezegd worden dat zelfs de apostel Paulus, die met betrekking tot het gehele christelijke tijdperk hoogstwaarschijnlijk de meest prominente getuige van Jehovah genoemd zou mogen worden, zich niet heeft schuldig gemaakt door zichzelf op onbeschaamde wijze eer toe te bedelen welke ook maar in de buurt komt van de wijze waarop de Wachttoren-organisatie aan zichzelf eer laat bewijzen.

Blijkbaar bestond er eenzelfde soort neiging tot afgoderij in de Korintische gemeente. Sommige discipelen gaven daadwerkelijk aan dat zij aan Paulus toebehoorden; anderen beweerden dat ze behoorden tot Cephas en Apollos. Daarom verklaarde Paulus ook ten aanzien van de Korintiërs dat hij hun uitspraken met betrekking tot hun toewijding ook niet erkende door te zeggen: ‘De Christus bestaat verdeeld. Pa̱u̱lus werd toch niet voor U aan een paal gehangen? Of werdt GIJ in de naam van Pa̱u̱lus gedoopt?

Hoewel de apostel Paulus opgelucht verklaarde dat geen van de Korinthiërs ook daadwerkelijk ‘in de naam van Paulus’ was gedoopt, waarom is het daarentegen dan wel zo dat Jehovah’s Getuigen door het Wachttorengenootschap worden verplicht om gedoopt te worden ‘in associatie met de door Gods geest geleide organisatie’? Was het toen overigens ook niet zo dat de eerste-eeuwse gemeente ook door Gods geest werd geleid? Aangezien vaststaat dat zij destijds ook al door Gods geest werden geleid, waarom heeft Jezus of Paulus dan destijds ook niet de opdracht aan de christenen gegeven dat zij moesten erkennen dat hun doop hen met een organisatie identificeert?

Nog een andere manier waarop de organisatie zichzelf een plek heeft toegeëigend rondom de bediening door Jehovah’s Getuigen is door Getuigen te verplichten om op maandelijkse basis te rapporteren ten aanzien van ieders individuele ‘velddienstactiviteiten’. Indien Jehovah’s Getuigen zich werkelijk aan God hebben toegewijd, en niet aan een organisatie, waarom moet dan iedereen elke maand een gedetailleerd rapport invullen ten aanzien van zijn persoonlijke bediening? Indien Christus aan het hoofd staat van de gemeente, dan zal hij zich toch zeker wel bewust zijn van de mate waarin iedere individuele christen zich inzet? Waarom moeten de gemeente en het Bethel-hoofdkantoor dan op de hoogte worden gebracht van ieder uur dat wordt besteed en van ieder bezoek die een Jehovah’s Getuige aflegt in het kader van het verrichten van heilige dienst voor God? We kunnen er zeker van zijn dat dit soort verplichte lasten niet werd vereist van de oorspronkelijke christenen.

De apostel Paulus beschreef Satan als iemand die over het vermogen beschikt om zich te transformeren in een engel des lichts. Met andere woorden, Satan kan christenen ervan overtuigen dat het kwade goed is, zonder dat zij zich zelfs bewust zijn van zijn bedrog. Daarom uitte Paulus ook zijn diepe bezorgdheid ten aanzien van het feit dat sommige van de Corinthiërs op de een of andere manier verleid zouden kunnen worden door de listen van Satan. Paulus was zich er ten zeerste van bewust dat Satan een krachtige invloed uitoefende op de superfijne apostelen binnen de gemeente, die, net zoals Satan, zichzelf ook transformeerden tot dienaren der rechtschapenheid.

De preoccupatie van de Wachttoren-organisatie ten aanzien van de numerieke groei en het aantal bedieningsuren vertoont een griezelige gelijkenis met betrekking tot de desastreuze volkstelling van koning David, waarover de Schrift openbaarde dat deze het gevolg was van Satan die probeerde om de koning daartoe aan te zetten. ‘Toen stond Sa̱tan op tegen I̱sraël en zette Da̱vid ertoe aan I̱sraël te tellen’ (I Kronieken 21:1).

‘IK WAS EEN VERMANING VOOR HEN ALLEN’

Hoewel het ongetwijfeld de onzichtbare demonen waren geweest die ervoor hadden gezorgd dat de Beth-Avense kalfsverering tot stand was gekomen in de dagen van het oude Israël, waren het echter de koningen van Israël en de priesters van God, en dus de leiders van de natie zelf, die een instrumentele rol vervulden bij het misleiden van Jehovah’s volk richting de afvalligheid en de valstrik van afgoderij. Daarom zei God tegen hen: ‘Hoort dit, o priesters, en schenkt aandacht, o huis van I̱sraël, en GIJ, o huis van de koning, leent het oor, want ulieden gaat het oordeel aan; want een valstrik zijt GIJ geworden voor Mi̱zpa en als een net uitgespreid over de Ta̱bor. En in slachtwerk zijn de afvalligen diep verzonken, en ik was een vermaning voor hen allen’ (Hosea 5:1-2).

Met het oog op zijn in het verleden behaalde successen ten aanzien van het overhalen en het tot struikelen brengen van Gods dienaren door middel van afgoderij, zou niemand zichzelf de illusie moeten aanpraten dat de Duivel zich ook maar een klein beetje zou verzetten tegen het idee rondom de verafgoding van de Wachttoren-organisatie in onze moderne tijd. We mogen er met zekerheid van uitgaan dat de demonen alles wat afbreuk doet aan de glorie van Jehovah van harte zullen aanmoedigen, met inbegrip van de verraderlijk subtiele verering van Jehovah’s ‘zichtbare organisatie’!

Satan de Duivel is zonder enige twijfel de meest vurige promotor van de Wachttoren-organisatie, door op slinkse wijze een dergelijke vorm van organisatorische afgoderij te vermommen als zijnde ‘zuivere aanbidding’! Inderdaad, een engel des lichts! En tevens een potentiele valstrik voor alle Jehovah’s Getuigen tijdens het oordeel – precies zoals beschreven in Hosea 5:1-2.

Laat elke christelijke getuige van Jehovah door middel van de geest van Jehovah de betekenis van Hosea 4:15 onderscheiden, waarin Gods ernstige waarschuwing gevonden kan worden gericht tot de getrouwe gelovigen, om zich niet in de verleiding te laten brengen om op wat voor wijze dan ook de naam van Jehovah te hechten aan het gouden kalf van Beth-aven:

Al bedrijft gij ook hoererij, o I̱sraël, moge Ju̱da niet schuldig worden, en komt niet naar Gi̱lgal, gaat ook niet op naar Beth-A̱ven, noch zweert “Zo waar Jehovah leeft!”’

Maar hoe kan men dan onderscheiden dat de profetie van Hosea van toepassing is op de Jehovah’s Getuigen en op de Wachttoren-organisatie van vandaag de dag? Hoewel de profetie van Hosea in de oudheid werd opgetekend, zijn de relevante problemen tussen Jehovah en zijn volk onveranderd gebleven. De aanbidders van Jehovah worden vandaag de dag geconfronteerd met dezelfde uitdagingen ten aanzien van hun geloof als de oude Israëlieten. Om die reden is de boodschap uit Hosea in deze tijdsperiode nog net zo vitaal als toen ze eeuwen geleden werd opgetekend. Feitelijk gezien verbindt het boek Hosea naadloos de primitieve aanbidding die men in het oude Israël beoefend heeft tot aan de tijd dat Christus weer naar de aarde zal komen om zich te openbaren. Derhalve kunnen we daarom in Hosea 3:4-5 het volgende lezen: ‘Het is omdat de zonen van I̱sraël vele dagen zonder koning en zonder vorst en zonder slachtoffer en zonder zuil en zonder efod en terafim zullen wonen. Daarna zullen de zonen van I̱sraël terugkeren en stellig Jehovah, hun God, en Da̱vid, hun koning, zoeken; en zij zullen stellig sidderend tot Jehovah en tot zijn goedheid komen, in het laatst der dagen.’

Net zoals Micha en Jeremia is ook Hosea geoormerkt ten aanzien van zijn vervulling tijdens ‘het laatst der dagen’. Wanneer we in beschouwing nemen dat de profetie voorzegt dat ‘de zonen van Israël zullen terugkeren en gedurende die korte periode met zekerheid zullen gaan zoeken naar Jehovah hun God’, dan geeft dit duidelijk aan dat het geestelijke Israël nog steeds vervreemd is van Jehovah God als gevolg van het wegvallen van sommige van zijn gezalfde priesters – waardoor de organisatie tot afvalligheid werd geleid.

Door middel van Hosea verklaart Jehovah dat het doel van de woorden van de profeten is om zijn volk te corrigeren en te disciplineren. In Hosea 6:5-7 zegt God: ‘Daarom zal ik hen moeten neerhouwen door de profeten; ik zal hen moeten doden door de woorden van mijn mond. En de oordelen over u zullen zijn als het licht dat tevoorschijn komt. Want in liefderijke goedheid heb ik behagen geschept, en niet in slachtoffer; en in de kennis van God meer dan in volledige brandoffers. Maar zijzelf hebben, gelijk de aardse mens, het verbond overtreden. Daar hebben zij trouweloos jegens mij gehandeld.

De woorden van God die door middel van de Hebreeuwse profeten werden uigesproken, zijn bedoeld om het volk van God uit te beitelen en om vorm aan hen te geven en om hen door middel van een oordeel te doden ten aanzien van de neiging om tegen hem in opstand te komen. Geen enkel ander volk behalve de Israëlieten en hun priesters zou het verbond van God kunnen overtreden om de doodeenvoudige reden dat geen enkel ander volk zich in een verbond met Jehovah bevindt. Deze zelfde waarheid is vandaag de dag nog steeds van toepassing. De woorden van de profeten zijn eveneens gericht op de gemeente van gezalfde christenen, die zich, net zoals de oude Israëlieten, ook in een verbond met God bevinden.

Om dit punt te onderstrepen bevestigt ook Jezus dat hij een oorlog zal voeren met woorden tegen de gezalfde christenen die zich niet berouwvol betonen ten aanzien van hun afgoderij, waarover hij zegt in Openbaring 2:16: ‘Heb daarom berouw. Zo niet, dan kom ik vlug tot u, en ik zal oorlog tegen hen voeren met het lange zwaard van mijn mond.’ Moet men naar aanleiding van deze woorden veronderstellen dat Jezus het christendom oproept tot berouw? Of zou het zo kunnen zijn dat de offers en ‘volledige brandoffers’ uit Hosea 6:5-6 betrekking zouden hebben op de ritualistische aanbidding door Jehovah’s Getuigen? Zou het zo kunnen zijn dat God in werkelijkheid helemaal niet zo verheugd is ten aanzien van de op boekhoudkundige wijze geregistreerde miljoenen uren aan velddienst waarover Jehovah’s Getuigen op trotse wijze verkondigen dat zij deze uren opofferen, terwijl zij aan de andere kant belangrijkere zaken veronachtzamen?

Het staat vast dat om een verbond te kunnen overtreden een volk zich eerst in een verbond met Jehovah moet bevinden. Enkel gezalfde christenen (geestelijk Israël) bevinden zich in een verbond met God door middel van hun bemiddelaar Jezus Christus (David hun koning). Dat houdt automatisch in dat dit betekent dat degenen die Jezus hebben verraden Jehovah’s Getuigen betreffen. Maar hoe hebben Jehovah’s Getuigen dan op verraderlijke wijze het verbond tussen hen en Jehovah overtreden? Hosea onderstreept op twee specifieke gebieden op welke wijze de volgende woorden van toepassing zijn op Gods volk: ‘Zij zijn diep verzonken in het brengen van verderf.

‘ZOALS IN DE DAGEN VAN GIBEA’

In Hosea 9:9 lezen we: ‘Zij zijn diep verzonken in het brengen van verderf, zoals in de dagen van Gi̱bea. Hij zal hun dwaling gedenken; hij zal aandacht schenken aan hun zonden.

‘In de dagen van Gibeah’ heeft betrekking op het begaan van een ernstige zonde die plaatsvond in de periode van Rechters. Het 19de hoofdstuk van het boek Rechters beschrijft het verslag ten aanzien van de ‘louter nietswaardige mannen’, de seksuele perverselingen die de intentie hadden om een man vast te ketenen die als gast in een huis in Gibea aan het overnachten was om hem zodoende te verkrachten. In plaats daarvan bood de man zijn bijvrouw aan aan de op seks beluste groep mannen, waarop zij haar de hele nacht lang verkrachtten tot de dood erop volgde. Diep verontwaardigd ten aanzien van deze wreedheid, sneed de man het lichaam van de dode vrouw in twaalf stukken en stuurde naar elk van de twaalf stammen één van de stukken. Dit resulteerde erin dat alle stammen van Israël ook diep waren geschokt vanwege de verdorvenheid met betrekking tot dit misdrijf, waarop zij zich tegen de stam van Benjamin keerden en eisten dat de schuldige mannen van Gibea aan hen overhandigd zouden worden, zodat zij hen overeenkomstig de Wet konden doden.

Echter, het historische verslag vertelt verder: ‘En de zonen van Be̱njamin wilden niet naar de stem van hun broeders, de zonen van I̱sraël, luisteren.’ De consequentie van het feit dat Benjamin op dwaze wijze weigerde om gerechtigheid toe te passen, was dat er oorlog uitbrak; en als gevolg daarvan werd de stad Gibea tot aan de grond verbrand en de stam van Benjamin werd bijna compleet uitgeroeid. Er moet echter wel worden benadrukt dat Jehovah degene was die de oorlog tegen Benjamin heeft bevolen.

Vandaag de dag heeft zich onder Jehovah’s Getuigen iets vergelijkbaars voorgedaan met betrekking tot de verschrikkelijke seksuele misdaad die in Gibea plaatsvond -echter betreft dit iets op een veel grotere schaal. Zoals in dit verband reeds eerder werd aangetoond, zijn in de afgelopen jaren duizenden gevallen aan het licht gebracht van kindermisbruik binnen de organisatie. En net zoals het geval was ten tijde van de oorspronkelijke seksuele misdaad in Gibeah, is eveneens het schandalige pedofielenprobleem binnen de Wachttoren-organisatie alom bekendgemaakt. Ten eerste moet er echter op worden gewezen dat de seksuele misdaad van Gibea niet de oorzaak was van de burgeroorlog die volgde, noch was dit de reden waarom Jehovah eeuwen later zijn aandacht vestigde op de zonde van Gibea. Indien de Benjaminieten echter de schuldige mannen wel hadden uitgeleverd om te worden geëxecuteerd vanwege hun seksuele misdaad – zo afschuwelijk als deze was –, dan was dit hele voorval waarschijnlijk nooit in de Bijbel opgetekend geweest. Het kwam echter door de koppige weigering van de Benjaminieten om gerechtigheid te laten plaatsvinden, wat de daadwerkelijke zonde van Gibea was.

Hoe diep is op eenzelfde manier de Wachttoren-organisatie gezonken met betrekking tot het afroepen van verwoesting over zichzelf? Beschouw eens de volgende feiten: het Genootschap beschikt over een geheime database met de namen van meer dan 20.000 pedofielen. En net zoals de Benjaminieten heeft de organisatie alles in het werk gesteld om de kindermisbruikers tegen de gevolgen van hun misdaden te beschermen.

In de zomer van 2015 heeft de Australische Royal Commission een ‘formele openbare hoorzitting gehouden om bewijsmateriaal over het seksueel misbruik van kinderen te onderzoeken en tevens om vast te kunnen stellen hoe de organisatie zou reageren op de aanklachten ten aanzien van het seksuele misbruik’. Wat waren hun bevindingen? Er werd onthuld in The Australian News dat er was gebleken dat er maandelijks gemiddeld drie tot vier aanklachten van kindermisbruik voorkwamen en dat er gedurende de periode van de afgelopen 50 jaar nog nooit één geval is gerapporteerd aan de Australische autoriteiten, terwijl er sowieso 500 van deze aangeklaagden hun misdaad hebben erkend. Dit wijst erop dat de organisatie bewust deze mannen heeft verborgen om hen te beschermen tegen de wet ten aanzien van de misdaden die deze smerige misbruikers tegen al deze kinderen hebben gepleegd.

Helaas blijkt echter dat wat zich in Australië heeft voorgedaan geen op zichzelf staand incident betreft. Het opzettelijk niet-rapporteren en het opzettelijk vermijden van samenwerking met de politie is onderdeel van het universele beleid van de Wachttoren-organisatie. Er wordt aan de ouderlingen verzocht of zij dit soort misdaden, gepleegd tegen kinderen, alleen aan de autoriteiten willen rapporteren indien de lokale wetgeving dit van hen vereist. In alle andere gevallen dienen deze misdaden zo veel mogelijk te worden verborgen voor de buitenwereld. Vandaar blijkt ook dat binnen de gemeenten vaak zelfs de familieleden niet eens worden gewaarschuwd zodra een verdachte pedofiel zich in hun midden bevindt. In een aantal gevallen bleek ook dat er aan misbruikslachtoffers werd meegedeeld om vooral geen contact op te nemen met de politie om aangifte te doen van de misdaden die tegen hen werden gepleegd. Als zij dit echter wel zouden doen, zo werd er gedreigd, dan zouden zij het risico lopen om te worden uitgesloten.

En zelfs wanneer kindermisbruikers wel werden uitgesloten, werd hun vaak binnen afzienbare periode de mogelijkheid gegeven om zich binnen de gemeente te laten herstellen, zonder de gemeente vervolgens in te lichten ten aanzien van de aard van hun zonde – wat tot resultaat had dat er meer kinderen werden blootgesteld aan het risico om ook het slachtoffer te worden.

Als gevolg van deze gedragscode omtrent het verzwijgen van dit soort misdaden is de Wachttoren-organisatie direct medeverantwoordelijk voor het bieden van een vrijplaats voor misbruikers, waardoor zij hun afschuwelijke zonden kunnen bedrijven ten aanzien van Jehovah’s onschuldige lammetjes.

Gezien het feit dat de zonde van Gibea relatief gezien een handjevol louter nietswaardige perverse mannen betrof die hadden gezondigd met betrekking tot slechts één enkel slachtoffer, zouden we ons zo langzamerhand wel kunnen voorstellen in welke mate Jehovah zijn ongenoegen ervaart ten aanzien van het Wachttorengenootschap, dat heeft verzuimd om deze kinderen, welke Jehovah aan hen heeft toevertrouwd, beter te beschermen.

Een van de woordvoerders van het Wachttorengenootschap verklaarde dat de Wachttoren-organisatie veel informatie heeft gepubliceerd om ouders te helpen hun kinderen te beschermen tegen pedofielen. Het klopt inderdaad dat het Wachttorengenootschap een aantal artikelen heeft gepubliceerd die gaan over het onderwerp preventie van kindermisbruik. Er is echter gebleken dat in de meeste van deze artikelen niet rechtstreeks de aandacht wordt gevestigd op het probleem van pedofilie onder Jehovah’s Getuigen, noch waarschuwen zij de ouders specifiek voor de gevaren die binnen de muren van de gemeenten op de loer liggen. Het Wachttoren-artikel getiteld ‘Laten wij afschuwen wat goddeloos is’ adresseert specifieke voorbeelden van Jehovah’s Getuigen die zich schuldig maken aan het plegen van kindermisbruik, maar in het artikel wordt niet duidelijk erkend dat het misbruikslachtoffer evengoed een kind binnen de gemeente zou kunnen zijn.

De dienaren van het Wachttorengenootschap die werkzaam zijn binnen de Public Relations-afdeling en zij die werkzaam zijn binnen de juridische afdeling, wekken duidelijk de indruk dat zij er actief aan bijdragen om de misleidende indruk te wekken dat de daders van kindermisbruik ofwel geen Jehovah’s Getuigen zijn, of indien zij dit wel zouden zijn, hun misbruikte slachtoffertjes dit niet zijn. Een voorbeeld van het voorgaande kunnen we terugvinden in de uitgave van het tijdschrift Ontwaakt! van 8 april 1999, waarin een artikel werd gepubliceerd met de titel ‘Wie zal uw kind beschermen?’. Op bladzijde 4 staat in het artikel geschreven:

‘Denkt u eens aan het leed dat ouders ervaren, die te laat hebben ontdekt dat hun kinderen werden misbruikt door vertrouwde geestelijken, schooldocenten, of zelfs naaste familieleden. U zou er als ouder goed aan doen om uzelf het volgende af te vragen: “Tolereert mijn kerk kindermisbruik, of stoppen zij deze zaken in de doofpot? Houdt mijn religie zich stevig vast aan hoge morele waarden?” Antwoorden op dergelijke vragen kunnen u helpen om verstandige beslissingen te nemen ten aanzien van de bescherming van uw kinderen.’

Gezien het feit dat de Ontwaakt! primair wordt gericht aan Jehovah’s Getuigen, zal het zeer onwaarschijnlijk zijn dat deze kinderen van Jehovah’s Getuigen ooit seksueel zouden kunnen worden misbruikt door ‘vertrouwde geestelijken’. En zoals het Wachttorengenootschap zich er heel goed van bewust is, zijn vele duizenden kinderen van ouders die Jehovah’s Getuige zijn misbruikt door naaste Jehovah’s Getuigen. En ja, het klopt dat sommige van deze daders vertrouwde ouderlingen en dienaren in de bediening waren, en in andere gevallen alom gerespecteerde broeders binnen de gemeente.

Indien de Wachttoren-organisatie werkelijk geïnteresseerd zou zijn geweest in het helpen van Jehovah’s Getuige-ouders bij het beschermen van hun kinderen tegen pedofiele roofdieren, waarom waarschuwt het artikel in de Ontwaakt! er dan niet voor dat ouders op hun hoede dienen te zijn ten aanzien van het achterlaten van hun kind bij vertrouwde broeders binnen de gemeenten? Dit zou absoluut de meest eerlijke en verantwoorde maatregel zijn geweest om ouders te kunnen adviseren, gezien het feit dat het Wachttorengenootschap zich er ten volle van bewust is dat er wereldwijd duizenden pedofielen loerend binnen de gemeenten van Jehovah’s Getuigen verblijven. En in plaats van de vraag op te werpen of ‘mijn kerk kindermisbruik tolereert of in de doofpot stopt’, waarom wordt dan niet de volgende veel relevantere vraag opgeworpen: ‘Tolereert of verzwijgt mijn plaatselijke lichaam van ouderlingen zaken omtrent kindermisbruik?’

De hypocrisie van de Wachttoren-organisatie is ronduit afschuwelijk, wat zonder enige twijfel de reden moet zijn geweest waarom Jehovah het volgende in Hosea 10:2 verklaarde: ‘Hun hart is huichelachtig geworden; nu zullen zij schuldig bevonden worden.’ Waarlijk blijkt dat Bethel in werkelijkheid ‘diep is weggezonken ten aanzien van hun verdorvenheid’, vanwege hun eigen ontrouw en hypocrisie!

‘OORDEEL IS UITGESPROTEN ALS EEN GIFTIGE PLANT’

Terwijl de aan de eed gebonden advocaten en ook de mannen van de Public Relations-afdeling binnen de Wachttoren-organisatie de ouders ervan proberen te overtuigen, die goed van vertrouwen zijn, dat het Wachttorengenootschap er altijd alles aan heeft gedaan om hun kinderen te beschermen tegen pedofielen, beweren daarentegen talloze misbruikslachtoffers iets heel anders. En tot hun grote verbazing blijkt dat Jehovah God zich bij deze slachtoffers aansluit. Interessant feit is dat overigens dat in de New International Version van de Bijbel in Hosea 10:4 staat: ‘They make many promises, take false oaths and make agreements; therefore lawsuits spring up like poisonous weeds in a plowed field.’ Wat letterlijk vertaald kan worden in: ‘Zij doen valse beloften, leggen een valse eed af, en zij stellen overeenkomsten op; daarom ontstaan er rechtszaken die zullen ontspringen als giftig onkruid in een omgeploegd veld.’

In overeenstemming met de profetie van Hosea ontstaan er talloze rechtszaken, gericht tegen de gemeenten van Jehovah’s Getuigen en tegen de Watchtower Bible & Tract Society, vergelijkbaar met het ontspringen van onkruid in een geploegd veld – wat primair het gevolg is van de koppige weigering van ‘Beth-Aven’ om te doen wat rechtvaardig is. Hoe toepasselijk is dan ook het feit dat Jehovah zijn organisatie in Hosea 4:16 vergelijkt met een domme, onhandelbare koppige koe, waar hij zegt: ‘Want gelijk een onhandelbare koe is I̱sraël onhandelbaar geworden.’ En nogmaals in Hosea 9:15: ‘Al hun slechtheid was in Gi̱lgal, want daar moest ik hen haten. Wegens de boosheid van hun handelingen zal ik hen uit mijn eigen huis verdrijven. Ik wil hen niet langer liefhebben. Al hun vorsten handelen eigenzinnig.

De advocaten van de Wachttoren-organisatie dringen er binnen de rechtbanken van de Verenigde Staten op eigenzinnige wijze op aan dat de vele ouderlingen onder Jehovah’s Getuigen totaal geen verantwoordelijkheid dragen tegenover de gemeenschap om verdachten van kindermisbruik bij de autoriteiten aan te geven. En niet alleen dat, de advocaten van het Wachttorengenootschap beweren zelfs dat de ouderlingen geen gemeentelijke verantwoordelijkheid hebben om hun leden actief tegen deze misbruikers te beschermen. De vraag of deze rechtbanken het wel of niet met deze juridische argumenten eens zijn is irrelevant, want zoals moet worden toegegeven, ten aanzien van het universele stelsel der dingen, hebben de rechtszaken waarin de Wachttoren-organisatie is betrokken wel degelijk een grotere triviale betekenis. Desondanks zou men zich kunnen afvragen welke verdedigende argumenten de advocaten van Bethel zullen opwerpen in het Hooggerechtshof der Hemelen, zodra zij ter verantwoording zullen worden geroepen ten aanzien van de vele duizenden onschuldige slachtoffertjes die onder hun toezicht zijn verkracht en verlokt.

Jehovah’s Getuigen zouden ervan uit kunnen gaan dat zij over kennis van God beschikken. Maar houdt dit in dat louter het kennen van Gods naam en in de wetenschap verkeren dat Jehovah en Jezus niet een tweederde deel vormen binnen een soort drie-eenheid, noodzakelijkerwijs betekent dat iemand ook daadwerkelijk beschikt over de kennis over God? Nee, absoluut niet. De kennis over God houdt veel meer in dan alleen dat. Ware kennis over Jehovah houdt onder andere in dat iemand Jehovah’s manier van handelen ook daadwerkelijk zo veel mogelijk probeert te imiteren, accepteren en praktiseren. Aangezien God heeft verklaard dat hij de beschermer is van de verdrukten en hij van de rechters van zijn volk vereist dat zij met name ten aanzien van de wezen en weduwen voor hen dienen te pleiten – waaruit duidelijk blijkt dat, zeker ten aanzien van de wijze waarop het Genootschap heeft verzuimd om zich te ontfermen over het welzijn van de kleine kinderen, Jehovah’s beoordeling van de betreffende situatie absoluut meer dan gerechtvaardigd is. Er is geen kennis van God in het land. Zoals duidelijk is aangetoond, rijst naar aanleiding hiervan de volgende vraag: indien de advocaten en de leidende mannen van Bethel daadwerkelijk Jehovah zouden kennen, hadden zij er dan niet alles aan moeten doen om te voorkomen dat zij op dwaze wijze de Almachtige dwingen tot verontwaardiging en immense woede?

De consequenties van hun zonden zullen betekenen dat de institutionele profeten van Bethel en hun verheven moederorganisatie, samen met allen die Jehovah erkent als zijn volk, tijdens het aankomende oordeel tot stilte zullen worden gedwongen, zoals Hosea 4:5-6 voorzegt: ‘En gij zult stellig struikelen bij dag, en zelfs een profeet moet met u struikelen, als bij nacht. En ik wil uw moeder tot zwijgen brengen. Mijn volk zal stellig tot zwijgen worden gebracht, omdat er geen kennis is. Omdat gijzelf de kénnis hebt verworpen, zal ik ook u verwerpen, zodat gij mij niet als priester dient; en omdat gij de wet van uw God blijft vergeten, zal ik, ja ik, uw zonen vergeten.’

Echter betrof de organisatorische afgoderij en hun onrechtvaardigheid niet de volledige maat ten aanzien van de zonde van Beth-Aven. Er is nog meer.

‘NAAR ASSYRIË ZIJN ZIJ GEGAAN’

Jehovah heeft zijn eigen volk in vele situaties beschermd tegen machtige vijandelijke natiën. De tenuitvoerbrenging van Jehovah’s oordelen ten aanzien van de farao’s van Egypte, in de periode van de Exodus, staat tot op de dag van vandaag model voor Gods kracht en vormt tegelijkertijd nog steeds een duidelijk voorbeeld voor de mate van ijver die Jehovah ten aanzien van zijn volk heeft, zoals Jehovah hen eraan herinnerde in Hosea 13:4-5: ‘Maar ik ben Jehovah, uw God, van het land Egy̱pte af, en er was geen God behalve mij die gij placht te kennen; en er was geen redder dan ik.

Uiteindelijk kwam het erop aan dat Israël niet langer meer zijn vertrouwen richtte op God, door erop te vertrouwen dat Hij hen wel zou beschermen, waarop Israël ertoe overging om politieke allianties te vormen met de omringende vijanden – in de dwaze veronderstelling dat ‘vrede sluiten’ met zijn wereldse vijanden er op de een of andere manier voor zou zorgen dat zij hun veiligheid konden garanderen. Wat een betreurenswaardig gebrek aan vertrouwen werd er door de koningen van Israël gedemonstreerd toen zij verdragen opstelden tussen hen en het opkomende Assyrische Rijk, en ook vanwege het feit dat zij bij Egypte om gunst kwamen vragen. ‘En E̱fraïm blijkt als een onnozele duif zonder hart te zijn. Naar Egy̱pte hebben zij geroepen; naar Assy̱rië zijn zij gegaan’ (Hosea 7:11).

Interessant genoeg wordt er in Hosea 11:1 een verband gelegd, waarin staat: ‘Toen I̱sraël een knaap was, toen had ik hem lief, en uit Egy̱pte heb ik mijn zoon geroepen.’ Het verband dat wordt gelegd wijst op de oprichting van de Christenheid. De Bijbelschrijver Mattheüs merkte specifiek op dat de profetie van Hosea vervuld was toen Jezus, de Zoon van God, ook uit Egypte werd geroepen, nadat tegen Maria en Jozef werd gezegd dat zij met hun kind moesten wegvluchten om aan de kindermoordende woede van Herodes te kunnen ontsnappen. Hieruit blijkt dus duidelijk dat Jehovah’s verwijzing met betrekking tot de woorden ‘toen Israël een knaap was’ van toepassing is op de oprichting van het geestelijke Israël. En net zoals de letterlijke natie Israël op een bepaald moment God vertrouwde, en achteraf begonnen te dwalen, zo zal op gelijke wijze ook het geestelijke Israël in deze zelfde voetsporen van verval treden, zodat dit zal betekenen dat de dingen niet zullen zijn zoals ze horen te zijn op de dag van Gods inspectie. Inderdaad, men kan er gewoonweg niet omheen dat hetzelfde patroon van trouweloosheid en aanmatigende ongehoorzaamheid vandaag de dag wordt tentoongespreid door het leiderschap van het Wachttorengenootschap.

Er zijn vele redenen om aan te nemen dat Jehovah het werk van Jehovah’s Getuigen heeft gezegend en hen beschermd heeft tegen vele machtige religieuze en politieke vijanden – net zoals hij deed ten tijde van het oude Israël. Het nederige begin van de International Bible Students vormde een moderne Pentecost-achtige heropleving van de primitieve christenheid. De hartverscheurende verslagen met betrekking tot de vervolging van Jehovah’s Getuigen ten tijde van nazi-Duitsland en het voormalig communistische Rusland, evenals de vreselijke ervaringen van broeders en zusters uit veel andere landen, waaronder Malawi, zijn werkelijk inspirerend en zijn tevens een bewijs van het feit dat Jehovah zijn steun en persoonlijke zorg verleent. De jaarboeken en andere publicaties van Jehovah’s Getuigen bevatten letterlijk duizenden ervaringen die laten zien dat Jehovah zijn volk zegent met grote zaken en in kleinere zaken.

Ondanks alles wat God in onze moderne tijd voor zijn volk heeft gedaan, heeft de Wachttoren-organisatie in 1992 haar handtekening gezet onder een politieke alliantie met de VN, en heeft zij er dus mee ingestemd om haar medewerking te verlenen aan ‘een voorlichtingscampagne waarbij zij vrijwillig akkoord zijn gegaan met de eis om door middel van de inzet van de middelen die de Wachttoren-organisatie tot haar beschikking heeft, haar achterban positieve informatie voor te schotelen ten aanzien van de activiteiten van de Verenigde Naties’. Het komt er feitelijk dus op neer dat het Wachttorengenootschap als gevolg van deze politieke alliantie een pleitbezorger is geworden ten aanzien van de wereldwijde agenda van de Verenigde Naties. Dit alles ondanks het feit dat Jehovah’s Getuigen geloven dat de VN het ‘walgelijke ding’ voorstellen waarover Jezus sprak.

Dat maakt de hypocriete en dubieuze samenwerking tussen het Wachttorengenootschap en de Verenigde Naties een walgelijke en schandelijke daad van wetteloosheid volgens de normen van God. Deze situatie is vanuit het standpunt van Jehovah gezien niet anders dan wat de oude Israëlieten deden toen zij zich op vrijwillige basis opzettelijk toewijdden aan de walgelijke aanbidding van Baäl of toen zij een bondgenootschap sloten met de hen omringende natiën.

Hoe waarlijk blijkt dit te zijn ten aanzien van het moderne geestelijke Israël: ‘Zijzelf gingen naar Ba̱äl van Pe̱or, en zij droegen zich voorts op aan het schandelijke ding, en zij werden toen even walgelijk als het voorwerp van hun liefde’ (Hosea 9:10).

Het Wachttorengenootschap is zich er terdege van bewust dat de voorwaarden ten aanzien van Jehovah’s vriendschap niet-onderhandelbaar zijn. Het Koninkrijk van Christus is geen deel van deze wereld, en als een christen, al is het maar in mindere mate, een vriend van deze wereld wil zijn, leidt dit onvermijdelijk tot de situatie waarbij hij zichzelf automatisch tot een vijand van God verklaart. Daarom vermijden Jehova’s Getuigen ook op alle mogelijke manieren alle mogelijke vormen van politieke betrokkenheid en zijn ze zelfs bereid om te sterven in plaats van hun christelijke integriteit op te geven door hun verbond met Christus te overtreden, dat van christenen vereist dat zij geen deel uitmaken van het religieuze of politieke systeem van de Duivel. De grenzen omtrent wereldse betrokkenheid zijn in de Schrift zeer goed gedefinieerd.

Ondanks het feit dat het Besturend Lichaam van Jehovah’s Getuigen beschikt over al deze noodzakelijke kennis, die mag worden verwacht van hen die de gezalfde gemeente van het geestelijk Israël wereldwijd vertegenwoordigen, heeft het toch het risico genomen om zijn handtekening te zetten onder een partnerschapsverdrag met de tegenhanger van de koning van Assyrië in onze moderne tijd.

Het is alsof de organisatie haar grenzen heeft verlegd en op illegale wijze de geestelijke grens heeft overschreden. Precies zoals de profeet van Jehovah al had opgetekend: ‘De vorsten van Ju̱da zijn geworden net als degenen die een grens verleggen… E̱fraïm is onderdrukt, verbrijzeld in gerechtigheid, want hij had het op zich genomen zijn tegenstander achterna te lopen’ (Hosea 5:10-11).

De aansluiting van het Wachttorengenootschap als ngo bij de Verenigde Naties komt precies neer op hetgeen waar de Bijbel naar verwijst als zijnde een verbond – een bindende overeenkomst. Hoe toepasbaar de woorden van de profeet: ‘E̱fraïm voedt zich met wind en jaagt de gehele dag de oostenwind na. Leugen en gewelddadige plundering vermenigvuldigt hij. En een verbond met Assy̱rië sluiten zij, en olie wordt er naar Egy̱pte gebracht’ (Hosea 12:1).

Hoewel het Wachttorengenootschap in 2001 op eigen initiatief zijn ngo-associatie met de VN heeft beëindigd, is de organisatie nog steeds zeer betrokken bij de OVSE (OSCE). En gezien de neiging van Bethel om te vervallen tot ontrouw en compromissen, is het heel waarschijnlijk dat het dit weer zal doen – nog uitbundiger in de nabije toekomst – zodra het zal worden geconfronteerd met een existentiële bedreiging.

‘ALS EEN BERIN DIE HAAR JONGEN KWIJT IS’

Hoe stelt Jehovah voor om uiteindelijk de stand van zaken ten aanzien van deze deplorabele situatie weer recht te zetten? Een toestand waarbij zijn volk tot grote diepte is gezonken. Hoe zou deze relatie tussen Jehovah en zijn volk weer kunnen worden hersteld? In Hosea 13:7-9 antwoordt God: ‘En ik zal hun worden als een jonge leeuw. Als een luipaard langs de weg zal ik blijven kijken. Ik zal hen tegenkomen als een berin die haar jongen kwijt is, en ik zal het omhulsel van hun hart vaneenrijten. En ik zal hen daar verslinden als een leeuw; ja, een wild dier van het veld zal hen aan stukken scheuren. Het zal u stellig in het verderf storten, o I̱sraël, omdat het tegen mij was, tegen uw helper.’

Een vrouwelijke beer die van haar welpen is gescheiden, is waarschijnlijk een van de meest formidabele dieren op aarde. Voor een van haar jongen beroofde berin is het onmogelijk om zich te laten kalmeren of te laten temmen. Hoewel het Wachttorengenootschap geneigd zou kunnen zijn om aan te nemen dat de onaangename ontmoeting welke in het 13de hoofdstuk van Hosea wordt beschreven niet van toepassing zal zijn op de ware christen, suggereert de juiste context iets totaal anders. Het blijkt evident dat Gods doel om het omhulsel van hun hart vaneen te rijten niet betekent dat God hen zal vernietigen, maar dat ermee wordt bedoeld dat hij hen wil corrigeren en disciplineren, om hun zodoende een mogelijkheid te bieden om de zaken recht te zetten – om als het ware hun hart te veranderen. God die zijn volk ontmoet als een leeuw, luipaard of als een woeste berin die haar welpen heeft verloren, heeft rechtstreeks betrekking op de uiteindelijke uitwerking van Jehovah’s doelstelling om een koninkrijk op te richten bestaande uit getrouwe priesters, genomen vanuit de zondige mensheid.

Hoe kan worden vastgesteld dat dit ook werkelijk waar zal zijn? Omdat Hosea 13:14 verdergaat door te zeggen: ‘Uit de hand van Sjeo̱o̱l zal ik hen verlossen; uit de dood zal ik hen terughalen. Waar zijn uw angels, o Dood? Waar is uw vernietigende kracht, o Sjeo̱o̱l? Ja, mededogen zal voor mijn ogen verborgen zijn.

In het 15de hoofdstuk van 1 Korintiërs citeert Paulus rechtstreeks uit Hosea 13:14, en paste dit toe op de opstanding van de heiligen gedurende de periode dat er op de laatste trompet zal worden geblazen. Daarom zal het middel dat Jehovah zal aanwenden om de relatie met zijn vrouwelijke geestelijke natie te herstellen de opstanding zijn. Deze verlossing is mogelijk gemaakt door de dood en de opstanding van Jezus Christus. Met andere woorden, de profetie van Hosea voorzegt dat God zijn aardse organisatie zal vernietigen, en dat hij vervolgens een nieuwe, onvergankelijke, hemelse organisatie zal oprichten, bestaande uit 144.000 die uit de mensheid zullen worden teruggekocht.

De voorgaande verzen, Hosea 13:12-13, voorzien ons van een ontzettend interessant contrast. Deze twee verzen luiden: ‘De dwaling van E̱fraïm is samengebundeld, zijn zonde is als een schat weggelegd. De weeën van een barende vrouw zullen over hem komen. Hij is een onwijze zoon, want te rechter tijd zal hij niet stilstaan bij het doorbreken van zonen uit de moederschoot.

Hoe komt het dat enerzijds Jehovah de gelijkenis legt tussen de barensnood van zijn eigenzinnige en dwarse natie en een vrouw die haar zonen baart, waarop God in het volgende vers zegt dat hij hen van de dood zal verlossen? Wat is precies de link met de geboorte en de dood van Gods volk?

Jesaja werpt licht op deze vragen. Ook Jesaja 26:16-19 legt een verband tussen de geboorte en dood, waarin staat: ‘O Jehovah, in benauwdheid hebben zij hun aandacht op u gericht; zij hebben een fluistergebed uitgestort toen uw strenge onderricht hen trof. Net zoals een zwangere vrouw het moment nadert om te baren, weeën heeft, het uitschreeuwt in haar barensweeën, zo zijn wij geworden wegens u, o Jehovah. Wij zijn zwanger geworden, wij hebben weeën gehad; wij hebben als het ware wind gebaard. Geen werkelijke redding bewerken wij met betrekking tot het land, en er worden voorts geen bewoners voor het productieve land als bij een geboorte uitgeworpen. “Uw doden zullen leven. Een lijk van mij — zij zullen opstaan. Wordt wakker en heft een vreugdegeroep aan, GIJ die in het stof verblijft! Want uw dauw is als de dauw van maluwen, en de aarde zelf zal ook degenen die machteloos zijn in de dood, als bij een geboorte uitwerpen.

Er zijn twee entiteiten die in de profetie spreken. Door middel van de ontvangen inspiratie registreert Jesaja een conversatie tussen de gezalfde en Jehovah, die zal plaatsvinden tijdens de nood van de verdrukking. Dat zal het moment zijn waarop Gods volk zijn aandacht tot God zal richten – zodra zij zullen worden onderworpen aan zijn disciplinering. Het blijkt echter duidelijk uit de context dat de profetie niet in 1919 werd vervuld, zoals het Wachttorengenootschap beweert. Dat blijkt uit het feit dat het volgende vers in Jesaja zegt: ‘Ga, mijn volk, begeef u in uw binnenkamers, en sluit uw deuren achter u. Verberg u voor slechts een ogenblik, totdat de openlijke veroordeling voorbijgaat.

Dus de context geeft aan dat het moment wanneer Gods volk zal worden gecorrigeerd een onmiddellijke inleiding vormt ten aanzien van de voltrekking van Jehovah’s oordelen tijdens Armageddon. Nu dit het geval blijkt te zijn, wat is dan de betekenis van de hierboven geciteerde tekst?

Heel symbolisch verbeeldt de profetie van Jesaja de ontstellende situatie die over de gemeente van Christus zal komen, waardoor het zal lijken alsof alles verloren is. Het zal zijn als een vrouw in barensnood, die ondanks de weeën niet in staat zal zijn om te bevallen. Hoe verontrustend!

Zo zal het ook zijn met betrekking tot de zonen van het Koninkrijk, zodra zij tot hun verstand zullen komen, met al hun kracht zullen betrachten om als organisatie Gods wil te volbrengen, en dan nog steeds zullen zij niet in staat zijn om de hoop op verlossing te bereiken. Dat zal zijn wanneer Jehovah zal reageren door te zeggen: ‘Uw doden zullen leven. Een lijk van mij, zij zullen opstaan.’

De opstanding die God beschrijft, betreft geen aardse opstanding van de doden, omdat die zal plaatsvinden voordat de goddelozen vernietigd zullen worden. Het ‘een lijk van mij’ waar Jehovah naar verwijst, kan niets anders betekenen dan het lichaam van Christus op het moment dat de hemelse opstanding zal beginnen. Tijdens het donkerste uur, wanneer het Koninkrijk-oprichtende Israël van God met zijn vernietiging zal worden geconfronteerd, zal Jehovah’s levendige geest worden als de verfrissende leven-gevende dauw van maluwen, welke onsterfelijk leven zal geven aan de apostelen en aan de heiligen, die tot op dat moment in het stof der aarde slapen. Door een wonder van de Almachtige God zal het Koninkrijk eindelijk bevallen van zijn zonen, zoals zij die machteloos in de dood verbleven weer tot leven komen. Jehovah’s geest zal ook zijn werk doen ten aanzien van de levende heiligen door hen te transformeren ter voorbereiding op hun dood om tegelijkertijd in een oogwenk te worden geboren in het rijk der hemelen.

Uiteindelijk zullen, ondanks het feit dat de uitverkorenen zullen worden wedergeboren, zij zich nog steeds in een stervende toestand bevinden, waaruit zij zullen moeten worden opgewekt, om zodoende volledig te worden wedergeboren als de zonen van de Levende God. Dat zal de uiteindelijke vervulling blijken te zijn van Hosea 1:10, waarin staat: ‘En het moet geschieden dat op de plaats waar tot hen gezegd placht te worden: “GIJ zijt mijn volk niet”, tot hen gezegd zal worden: “De zonen van de levende God.”’

Het 12de hoofdstuk van Openbaring symboliseert op vergelijkbare wijze ook het verbond tussen de vrouw en God, waarbij de vrouw geboorte zal geven aan het Koninkrijk, waarop zij vervolgens gedwongen wordt om de wildernis in te vluchten tijdens een periode van beproeving en bittere vervolging.

Hosea gebruikt dezelfde beeldvorming als Openbaring en zegt in Hosea 2:14: ‘Daarom, zie, ik overreed haar, en ik wil haar de wildernis in doen gaan, en ik wil tot haar hart spreken.

Nadat hij zijn woede en verontwaardiging heeft geuit jegens zijn overspelende organisatie, roept Jehovah uit liefde en mededogen hen smekend toe om naar hem terug te keren, zoals hij in de openingswoorden van het 14de hoofdstuk van Hosea zegt: ‘Keer toch terug, o I̱sraël, tot Jehovah, uw God, want gij zijt gestruikeld in uw dwaling. Neemt woorden met U en keert terug tot Jehovah. Zegt tot hem, GIJ allen: “Moogt gij dwaling vergeven; en aanvaard wat goed is, en wij willen als tegenprestatie de jonge stieren van onze lippen offeren.”’

Ondanks de ontrouw van zijn volk is Jehovah nog steeds bereid om genade op te brengen en verzoening te zoeken met zijn vervreemde vrouwelijke organisatie. Hoe aanmoedigend is het voor Jehovah’s Getuigen om dit te weten! Ondanks hun huichelarij, afgoderij, afvalligheid, geestelijke overspel en de rechtstreekse koppigheid van haar bestuurders, is Jehovah toch nog bereid om hen te vergeven indien zijn volk werkelijk op nederige wijze berouw betoont en smekende om gunst naar Jehovah terugkeren.

Hoe geweldig is het ook om te weten dat Jehovah nog steeds zijn doelstelling zal vervullen ten aanzien van zijn Koninkrijk – ondanks de dwaasheid en dwaling van zijn volk!

De afsluitende woorden van Hosea zijn werkelijk aangrijpend en vormen een echo van de profetie van Jesaja door een parallel te trekken tussen Jehovah’s verfrissende leven-gevende geest en de dauw: ‘Ik zal hun ontrouw genezen. Ik zal hen uit eigen vrije wil liefhebben, omdat mijn toorn zich van hem heeft afgewend. Ik zal voor I̱sraël worden als de dauw. Hij zal bloeien als de lelie en zal zijn wortels uitslaan als de Li̱banon’ (Hosea 14:4-5).